Obers

Een lievelingsanekdote van me is het verhaal hoe Rossini, op doorreis in Frankfurt, eens in hetzelfde restaurant zat te eten als Schopenhauer. De ene een vermaarde componist, de andere een vermaarde filosoof, zowat heel Europa kende hun namen. Toen Schopenhauer, voor wie Rossini het muzikale ideaal vertegenwoordigde, op de aanwezigheid van de componist attent werd gemaakt, keek hij even over zijn schouder en zei gemelijk: “Das ist Rossini nicht, das ist ein dicker Franzose.”

Niet de balorigheid van Schopenhauer fascineert me in deze anekdote, maar het feit dat daar ergens midden in Europa twee zulke reuzen bij elkaar konden zitten zonder elkaar van gezicht te kennen.

Hoe onvoorstelbaar nu!

Mijn vertrek, tien jaar geleden, naar Portugal viel samen met het begin van de televisiecarrière van Boudewijn Büch, die toen nog een jonge dichter was.

Kort daarvoor was hij bij me geweest om te vragen of hij er wel goed aan deed in te gaan op het verzoek van de Vara om een vast programma te presenteren. Ik herinner me een lang gesprek waarin ik hem aanried vooral te doen wat hij niet laten kon, maar waarin ik hem ook waarschuwde dat zijn gedichtjes er onder konden lijden (wat waar bleek) en dat er een vervelende scheefgroei zou kunnen ontstaan tussen zijn reële positie in de wereld en de positie die hij zichzelf daarin toekende (wat eveneens een beetje waar bleek).

Een paar jaar later liep ik, even terug in Nederland, met Boudewijn Büch over straat. Kinderen bleven stilstaan om naar hem te staren. Oude vrouwtjes wezen hem na. Wat is er met Boudewijn aan de hand? dacht ik.

Ik betrapte me erop dat ik naar hem omlaagkeek om te zien of hij soms een gestreepte pyjamabroek aanhad.

Of waren de aandelen van de poëzie intussen dramatisch gestegen?

Pas toen realiseerde ik me dat het door de televisie kwam, die ik uiteraard al die jaren niet had gezien.

Dichters worden al jong een bekende verschijning. Het gaat meer om de bekendheid van de verschijning dan om het dichterschap, maar alla. Er bestaat voor het overgrote deel van het publiek nauwelijks of geen verband tussen wat iemand voorstelt (zijn poëzie, zijn talenten) en hoe iemand wordt voorgesteld (door de televisie), maar een kniesoor die daarover treurt.

Geen gezeik, iedere dichter te kijk.

Iedere filosoof, iedere componist.

De tv heeft zelfs een categorie beroemdheden geschapen van mensen die volstrekt niets kunnen. Voor het eerst in de geschiedenis worden mensen aangegaapt, bewierookt en op handen gedragen - ja, herkend tot in de duisterste steeg van het meest afgelegen gat - die nooit een pen of schilderskwast hebben vastgehouden, nooit een veldslag hebben gewonnen, nooit op een bijzondere gedachte zijn betrapt.

De jongens en meisjes die spelletjes en quizzen presenteren, wat stellen die zelf voor? Hun herkenningsgehalte is hoog, hele volksstammen verstijven als ze zich vertonen, maar ze zijn beroemd geworden zonder dat ze zelfs maar konden zingen of borduren, worteltrekken of hardlopen.

Misschien zijn het in de omgang heel geschikte jongens en meisjes, maar geschikte jongens en meisjes heb je op het anonieme kantoor en achter de toonbank ook.

Het is een beetje een treurige roem. Je gaat er gemakkelijk van naast je schoenen lopen, of erger: je moet wel gaan geloven in het beeld dat anderen van je hebben, omdat je er geen eigen beeld op nahoudt.

De televisie kan reuzen zonder inhoud scheppen, beroemdheden zonder verdienste. Vermaarde en gevierde helden die alleen het talent bezitten van hun bekendheid.

De politici, de lachebekjes, de opwindpoppen, de Bekende Nederlanders, ze hebben er allemaal weet van.

De restaurants zitten er vol mee, men herkent elkaar gretig, en Rossini en Schopenhauer zijn hooguit de obers.

    • Gerrit Komrij