Nafta gaat vooral over sociale onzekerheid in Verenigde Staten

WASHINGTON, 17 NOV. Het is het toppunt van ironie: de bereidheid tot de vorming van een protectionistisch Noordamerikaans handelsblok is de lakmoesproef voor Amerikaans internationalisme geworden. “Onze buitenlandse concurrentie houdt niet van NAFTA. Dat is reden temeer dat wij daar voor moeten zijn”, luidt een televisie-advertentie van een pressiegroep voor het Noordamerikaanse Handelsverdrag (NAFTA. Als Amerika zelfs niet in staat is tot een dergelijke, voordelige economische alliantie, hoe moet het dan met internationale verplichtingen, die meer offers zouden vergen?

Na een late bekering tot NAFTA heeft president Clinton alles op alles gezet. Omdat planning op de lange termijn ontbrak, moest er op het nippertje een campagne worden georganiseerd. Slapen deed hij weinig. Soms barstte hij onverwacht uit in een tirade tegen een eveneens vermoeide medewerker. Hij dineerde met Congresleden en perste nog wat protectionistische concessies uit Mexico in suiker, tomaten en citrusvruchten of beloofde anti-dumpingsprocedures tegen Canada over pindapasta en graan. Dat haalde gisteren veel Congresleden uit landbouwdistricten over de streep. Een Zuidcalifornisch Congreslid, Esteban Torres, kreeg zelfs een complete ontwikkelingsbank voor het grensgebied met Mexico cadeau met een werkkapitaal van 252 miljoen dollar onder het motto “Eén bank, één stem”.

Vandaag moet blijken of Clinton zijn achterstand heeft weggewerkt en of hij een meerderheid van het Huis van Afgevaardigden achter de uitvoeringswetten van NAFTA krijgt. Verwacht wordt dat de Senaat, die minder van de kiezerswaan van de dag afhankelijk is, na een positieve uitslag van het Huis morgen ook voor zal stemmen.

Een nederlaag voor NAFTA is een harde knauw in het internationale prestige van Clinton. Morgen moet hij naar een economische topconferentie in Seattle met veertien leiders van Aziatische landen. “Mijn invloed om in Seattle voor open markten te pleiten zal bij een nederlaag van NAFTA zeker verminderd zijn”, gaf hij gisteren toe. Over een maand, op 15 december, loopt de termijn af voor de 'Uruguay-ronde' over liberalisering van de wereldhandel. Zou de Amerikaanse regering bij een dergelijke negatieve stemming in het Congres nog wel concessies durven doen? President Clinton heeft zichzelf al afgevraagd of de andere onderhandelingspartners nog wel bereid zijn tot concessies, als ze vrezen dat het Congres het resultaat waarschijnlijk toch zal verwerpen.

Of de Democraten in het Congres nog wel het lef hebben om na de verwerping van NAFTA hun president een tweede nederlaag te bezorgen, is niet zeker. Een nieuwe GATT-overeenkomst ligt politiek minder emotioneel dan NAFTA. Maar de oppositie kan zich door een NAFTA-nederlaag gesterkt voelen om GATT te laten sneuvelen. In januari volgt er een ander belangrijk international evenement, waar een negatieve kettingreactie van NAFTA en GATT op zou kunnen doorwerken: een topconferentie over de hervorming van de NAVO.

Zeker is dat het NAFTA-debat al lang niet meer gaat over het verdrag zelf maar over de sociale onzekerheid in Amerika door de internationalisering van de economie. Onder druk van buitenlandse en met name Aziatische concurrentie heeft Amerika een deel van haar economische souvereiniteit verloren. “Wat is er gebeurd met de goede Amerikaanse baan?”, staat op het omslag van Time magazine deze week.

Volgens prominente tegenstanders zoals de leider van de Democratische meerderheid in het Congres, Richard Gephardt, en miljardair-activist Ross Perot is NAFTA slechts punt één van een ruimere protectionistische agenda. NAFTA heeft traditionele coalities opengespleten. De Amerikaanse vakbeweging heeft zich tegen NAFTA aaneengesloten met milieu-activisten en met de isolationistische rechtervleugel van de Republikeinse partij, die na de Koude Oorlog door Pat Buchanan weer tot leven is gewekt. Vóór NAFTA pleit een coalitie van internationalistische, liberale Democraten, vrijhandelsgezinde Republikeinen onder leiding van Clintons aartsvijand Newt Gingrich en vertegenwoordigers van het grote bedrijfsleven.

Het debat over NAFTA doet denken aan de onrust in West-Europa over het verdrag van Maastricht. NAFTA is een technisch verdrag met veel kleine lettertjes in een lijvig boek met twee nevenakkoorden over milieu en arbeidsomstandigheden. In het debat wordt geciteerd uit wijd uiteenlopende computerprognoses over winst of verlies aan banen en geld. Het versterkt het algemene wantrouwen.

De televisie vertoont snikkende werknemers die bang zijn hun baan te verliezen. Bij de laatste recessie verloren niet alleen overall-dragers maar ook grote groepen managers en kantoorklerken hun baan. Nu de economie aantrekt komen die banen nauwelijks terug. De tijd dat ongeschoolde arbeiders met werk aan de lopende band een comfortabel houten huis met twee auto's en een zwembad bij elkaar konden verdienen, is definitief voorbij. Verdiende een ongeschoolde in autostad Detroit vroeger 18 dollar per uur mét ziektekostenverzekering met het inzetten van ruiten in Chevroletportiers, nu mag hij blij zijn als hij een uniformpet krijgt om voor vijf dollar per uur zonder sociale voorzieningen een magazijn te bewaken tegen de criminele elementen van de groeiende onderklasse.

Het argument dat meer vrijhandel banen oplevert, klinkt de economisch onzekeren vals in de oren. Veel bedrijven zijn juist met het oog op de gegroeide concurrentie verder aan het afslanken. Geen van de Westerse overheden heeft nog een oplossing gevonden voor de werkloosheid. Volgens een recente overheidsstudie zijn de pogingen tot herscholing van ontslagen werknemers in Amerika tot nog toe weinig succesvol gebleken. Voor bijna alle Amerikanen die in economische onzekerheid verkeren, klinkt het argument van de miljardair-activist Ross Perot dat een nieuw Noordamerikaans Handelsverdag een “gigantisch zuiggeluid zal veroorzaken van Amerikaanse banen die naar Mexico vertrekken” overtuigend.

In werkelijkheid is volgens economen het effect van NAFTA op de banenmarkt beperkt. Zelfs in het meest negatieve scenario zouden er binnen tien jaar slechts een paar pro mille van het totaal aantal Amerikaanse banen verloren kunnen gaan, niet meer dan de maandelijkse slingeringen in de werkloosheidsstatistieken. En, zoals de econoom Paul Krugman schrijft, bij problemen zouden de monetaire autoriteiten gaan tegenhangen door het verlagen van de rente, hetgeen de economie stimuleert. Anderzijds hebben voorstanders van de NAFTA, zoals Gary Hufbauer van de Washingtonse Institute of International Economics, toegegeven dat hun aanvankelijke berekeningen van spectaculaire banengroei te rooskleurig waren. Vrijere handel verhoogt niet zozeer het aantal banen als wel de arbeidsproduktiviteit en daardoor de levensstandaard. Omdat de Mexicaanse economie slechts vijf procent is van de Amerikaanse, is het resultaat bescheiden.

Voor de meeste bedrijven, die van de lage lonen in Mexico willen profiteren, zal het NAFTA-verdrag weinig verschil uitmaken. Ook nu staat hen weinig in de weg. De meeste Amerikaanse tarieven voor Mexicaanse importen bedragen nu slechts vier procent. Mexico heeft daarentegen veel hogere tarieven voor Amerikaanse produkten en die zakken ten gevolge van NAFTA tot nul. Dat betekent dat het voor sommige bedrijven juist aantrekkelijker wordt om in de Verenigde Staten te blijven. Zeker in het begin zal de vraag uit Mexico naar Amerikaanse kapitaalgoederen aantrekken. Amerika heeft al een overschot van bijna vijf miljard dollar. Als sommige Mexicaanse industriële sectoren met de Amerikaanse apparatuur beter kunnen concurreren, slaat de balans naar de andere kant en groeien de Mexicaanse exporten naar de VS. Een betalingsbalans tussen twee landen hoeft niet in evenwicht te zijn om beide te laten profiteren van toegenomen handel. Maar NAFTA is vooral een economisch strategische beslissing, die op de lange termijn vrucht moet afwerpen.

Het idee van vrijhandelszones met Latijnsamerikaanse landen is al oud. Een voorlopers is het idee van de Alliance for Progress van president Kennedy. Het Amerikaanse continent vormt een natuurlijke economische invloedssfeer en een gewilliger markt dan de Aziatische, zeker nu de meeste Zuidamerikaanse landen democratiseren. De huidige NAFTA is begin jaren tachtig geboren als alternatief voor de traag verlopende GATT-onderhandelingen. De toenmalige handelsgezant, Bill Brock, begon handelsverdragen aan te bieden aan Latijnsamerikaanse landen met de bedoeling die over de hele wereld uit te breiden. Aziatische landen zouden ook mogen meedoen, net als de EG.

Een Amerikaans-Canadees handelsverdrag en de dreiging tot de vorming van een nieuw Amerikaans handelsblok dreef andere landen naar de GATT-onderhandelingstafel en zo ging de Uruguayr-ronde van start. De Uruguay-ronde sleepte zich voort en president Bush lanceerde de Enterprise for the Americas, een idee tot een Amerikaans handelsblok. Uiteindelijk kon hij in december vorig jaar NAFTA ondertekenen. Bush noemde het een “banenprogramma”. Bovendien zou het de groei van de Mexicaanse immigratie afremmen. Toch verwachten economen dat de immigratie van Mexicanen juist zal toenemen. De hoge produktiviteit van de Amerikaanse landbouw en de afbraak van de Mexicaanse subsidies zal voor een grootscheepse ontvolking van het Mexicaanse platteland zorgen en een deel van de ontheemden zullen een beter leven in Californië of Texas zoeken. Bij de vorming van de EG werd ook een deel van de landbouw in Zuid-Europa ontmanteld door de concurrentie uit het noorden.

Om zich bij de verkiezingen van de vakbondsstem in de autodeelstaat Michigan en in andere delen van het land te verzekeren uitte presidentskandidaat Clinton vorig jaar kritiek op de NAFTA. Later beloofde hij om met Mexico nevenakkoorden te sluiten over milieu en arbeidsvoorwaarden. Die onderhandelingen had Clinton gemakkelijk kunnen laten vastlopen, om zijn politieke agenda niet nog verder te belasten. Dan hoefde hij zijn prestige niet op het spel te zetten voor een zoveelste omstreden initiatief. Toch liet hij de zomer de nevenakkoorden tekenen. Daarna zweeg hij in alle talen over NAFTA, terwijl de oppositie alle ruimte kreeg om het verdrag zwart te maken.

Begin september twijfelde Clinton nog of hij de lobby voor de ziektekostenverzekering niet vóór die van NAFTA zou moeten laten gaan. Half september opende hij zijn campagne met vier voormalige presidenten. Vorige week wist vice-president Albert Gore miljardair-activist Ross Perot tijdens een debat publiekelijk te kleineren. Sindsdien krijgen Congresleden meer positieve telefoontjes over NAFTA. Perot heeft veel populariteit verloren maar zijn aanhangers steunen hem nog altijd en in fel omstreden kiesdistricten kunnen een paar procent al van belang zijn. De retoriek van Clinton is nog niet tot grote hoogten gestegen. Vice-president Gore kwam verder toen hij NAFTA tijdens het debat met Perot vergeleek met de aankoop van Louisiana en Alaska in het verleden. Het gaat hier in ieder geval om Amerikaanse en niet om internationale belangen.

    • Maarten Huygen