Kerstman versus Dr. Strangelove in opzichtige flop

Toys. Regie: Barry Levinson. Met: Robin Williams, Michael Gambon, Joan Cusack, Robin Wright, Donald O'Connor. Uitgebracht op video door Fox.

'Mogen vreugde en onschuld heersen' luidt het grafschrift op een enorme bellenblazende olifant, de tombe van speelgoedfabrikant Kenneth Zevo (in de eerste minuten van de film Toys gespeeld door Donald O'Connor, veertig jaar eerder de rubberen paljas uit Singin' in the Rain). Het zou ook het motto kunnen zijn van regisseur-scenarist Barry Levinson, die op geraffineerde wijze naïeve helden maakte van een autist in Rain Man, een honkballer in The Natural, twee aluminiumverkopers in Tin Men en zelfs van de genadeloze gangster Bugsy. Nooit eerder werkte Levinson zijn thema zo schaamteloos schematisch en simpel uit als in Toys, naar eigen zeggen het eerste scenario dat hij ooit schreef.

Twaalf jaar na de eerste, mislukte poging om Toys op het doek te brengen kreeg Levinson van Fox nagenoeg carte blanche voor een extravagante superproduktie. Het resultaat is een zo complete mislukking dat als belangrijkste vraag opdoemt, waarom er bij de studio niet in een vroeg stadium alarmbelletjes zijn gaan rinkelen. Na een pijnlijke flop vorig jaar kerstmis in Amerika en een weinig overtuigende poging om de film op het festival van Berlijn opnieuw te lanceren, mag Toys het nu in Nederland op video proberen.

Zoals goed en kwaad hier tegenover elkaar gesteld worden, zie je het zelden meer in een film. Na een openingsspektakel, dat geënsceneerd lijkt door Busby Berkeley in een dronken èn sentimentele bui (levende kerstbomen, Tsjaikovski's Notenkraker gedanst in de stijl van Radio City Music Hall, ontroerde kindergezichtjes en een martiale discodreun met triangels en doedelzak), blaast kindervriend Zevo - het alarm van zijn pacemaker is verwerkt in een propellorpetje - de laatste adem uit en ontbrandt de strijd om de erfopvolging. Omdat zijn eigen kroost, de infantiele Robin Williams en de popperige Joan Cusack, misschien niet helemaal tegen die taak opgewassen zijn, krijgt een slechte broer de leiding over het speelgoedimperium.

Michael Gambon (The Singing Detective) vertolkt de schurk als een generaal in vol ornaat met een Vietnam-trauma, die zo weggelopen lijkt uit Dr. Strangelove. De fabriek, waar trouwe arbeiders zingend aan de lopende band plachten te staan, wordt snel omgevormd tot een door geuniformeerde bewakers geterroriseerde hel. De generaal ontwikkelt een duivels complot, dat kinderen oorlogstuig in de maag splitst om zo de wereldheerschappij te bemachtigen: over het hoe en waarom laat Levinson ons in het ongewisse.

Met de hulp van een leger blikken speelgoed herstellen Williams en Cusack de oude orde en aan het slot van het liedje is het alweer Kerstmis. Zelfs de in lariekoek niet voor een kleintje vervaarde Williams staat machteloos voor de opgave Toys enig karakter mee te geven. De ware ster van de onderneming is Bertolucci's decorontwerper Ferdinando Scarfiotti, die niet op een dollar meer of minder hoefde te kijken bij het vorm geven van zijn stoutste dromen. Een oude filmwet laat zich in dit geval gelden: hoe bonter en gewaagder de buitenkant, des te pijnlijker het effect, wanneer het scenario geen hart heeft.

Natuurlijk is Toys wel een belevenis. Je kijkt je ogen uit op deze mijlpaal in de grootheidswaan van Hollywood. De laatste keer dat in een amusementsfilm van deze afmetingen werkelijk elke grap, elke poging ontroering of ontzag te bewerkstelligen de mist inging was in een andere levende kerstkaart, de miljoenenflop Santa Claus. Nee, we moeten eerlijk zijn, één scène is zo potsierlijk, dat ik er wel om moest lachen. Het is ook een aardige tip voor inbrekers, die een videocamera moeten passeren: trek malle kleren aan en neem een gitaar mee, plus een doorzichtig bordje dat tot de knieën reikt met de gefingeerde naam van een popgroep, een single en een CD. Met een beetje geluk denkt de bewakingsbeambte dan dat zijn monitor op MTV is afgestemd.

    • Hans Beerekamp