Irak vindt Turkije als bondgenoot

BAGDAD, NOV. Saadi Mahdi Salih, voorzitter van het Iraakse parlement, draagt net als alle machthebbers in Irak een donkergroen uniform. “Na de opheffing van het handelsembargo”, zegt hij op luchtige toon, “stap ik weer over op burgerkleding. Maar het is nu noodzakelijk om de tering naar de nering te zetten en zo zuinig mogelijk om te springen met het geld en de goederen die Irak nog resten.”

Elk gesprek in Bagdad - of dat nu wordt gevoerd met vertegenwoordigers van het Ba'ath-regime, zakenmensen, bankiers of burgers - heeft een verongelijkte toonzetting: waarom veroordeelt de Westerse wereld ons nog steeds tot gevangenen in eigen land? Hebben we er dan geen blijk van gegeven aan de voorwaarden te voldoen die ons door de Verenigde Naties zijn opgelegd om de sancties weer ongedaan te maken? Hamed Yusef Humadi, minister van informatie, wijst op de lijst met wapenleveranciers die Irak vorige maand - na meer dan een jaar aarzelen - overhandigde aan de voorzitter van de speciale VN-commissie voor Irak, de Zweed Rolf Ekeus. Deze noemde dat toen weliswaar een stap in de goede richting, maar voegde eraan toe dat, afgezien van het feit dat de lijst nog steeds onvolledig was, er méér moest gebeuren voordat het handelsembargo tegen Irak kon worden opgeheven. En dat 'meer' ligt naast het erkennen van de grens met Koeweit vooral op het terrein van de ontwapening, de lange-termijncontrole op de Iraakse bewapeningsprogramma's.

De oorlogsschade in Bagdad is inmiddels ongeacht de handelssancties grotendeels hersteld - in tegenstelling tot het zuidelijker Kerbala, waar wel de belangrijke shi'itische heiligdommen zijn herbouwd maar de omgeving nog altijd de gevolgen van de shi'itische opstand en het neerslaan ervan ten toon spreiden. De schade van de Westerse bombardementen van 1991 in de hoofdstad is te aanschouwen in het museum dat ter herinnering aan de Golfoorlog is ingericht. Over de Tigris hebben de Irakezen een vijf kilometer lange brug gebouwd waar het verkeer binnenkort in twee lagen overheen wordt geleid. Maar het handelsembargo heeft de prijzen in de afgelopen drie jaar enorm opgedreven. “De rijken redden zich zoals altijd wel”, zegt Hassan Kanbaragha, voorzitter van de Iraakse Federatie van Industriëlen, “maar de armen lijden nu ècht honger. Vrijwel alles, ook medicijnen, is nog steeds te koop in Irak, maar voor astronomische bedragen.” Volgens een VN-inspecteur in Bagdad is als gevolg daarvan de middenstand in Irak vrijwel verdwenen. “Het korps van ambtenaren, kleine ondernemers en al de anderen die voorheen redelijk welgesteld leefden, moeten het nu doen met salarissen die in geen enkele verhouding staan tot de kosten van het levensonderhoud. Bijvoorbeeld voor een autoband moeten drie maandinkomens worden neergeteld.”

Door het repressieve bewind van het Ba'ath-regime is van een publieke verontwaardiging aan het adres van Saddam Hussein niets te merken, maar onderhuids zouden de spanningen oplopen. Ontmoetingen met de Iraakse president worden steeds zeldzamer omdat er permanent voor zijn leven wordt gevreesd. De voormalige Turkse minister van binnenlandse zaken Ismet Sezgin moest zijn bezoek aan Irak onlangs met twee dagen verlengen, voordat er genoeg veiligheidsmaatregelen waren getroffen om de bijeenkomst - met een volgens Sezgin uiterst gespannen ogende Saddam - te laten plaatshebben.

Irak zet momenteel alles op alles om de volledige intrekking te bewerkstelligen van de in augustus 1990 afgekondigde VN-sancties. Deeloplossingen, zoals de in 1992 door de Veiligheidsraad van de VN geopperde eenmalige verkoop van olie ter waarde van 1,6 miljard dollar, zijn voor Irak dan ook niet meer bespreekbaar. In die strijd heeft Bagdad sinds kort een interessante bondgenoot: het buurland Turkije, dat zich in augustus 1990 aan de kant van de Westerse geallieerden schaarde.

De toenmalige president, Turgut Özal, stond de geallieerden toe om vanaf Turks grondgebied bombardementen uit te voeren op doelen in Irak, en sloot de grens met het buurland. De handel met Irak, een van Turkijes belangrijkste handelspartners, en de Iraakse olie-export via de pijpleidingen van Kirkuk in Noord-Irak naar Yumurtalik aan de Turkse Middellandse-Zeekust kwamen stil te liggen.

Özal redeneerde indertijd dat Turkije op termijn ruimschoots gecompenseerd zou worden voor deze loyale opstelling, maar de realiteit is dat het land als gevolg van de oorlog in het Golfgebied inmiddels 16 miljard dollar verlies heeft geleden. Een onaanvaardbaar hoge prijs, meent de Turkse premier Tansu Çiller. Bovendien staan de sancties volgens haar niet langer in verhouding tot het leed dat zij onder de Iraakse bevolking aanrichten. Het wordt dan ook tijd dat de Veiligheidsraad van de VN het embargo heroverweegt, luidt de boodschap waarvoor Çiller nu internationaal medestanders probeert te vinden.

Wat Turkije feitelijk voor ogen staat is een volledige opheffing van de economische strafmaatregelen, waarna de betrekkingen met het buurland Irak kunnen worden genormaliseerd. Tijdens het bezoek van ex-minister Sezgin aan Bagdad werd op bijna nostalgische toon gepraat over de tijd vóór 1990, waarin de samenwerking tussen de buurlanden optimaal functioneerde. Saddam Hussein sprak zelfs van een erfenis die voor het nageslacht bewaard moet blijven.

De Turkse en Iraakse belangen raken elkaar met name in Noord-Irak, waar de Koerden onder de militaire bescherming van de Westerse geallieerden een de facto onafhankelijke staat hebben opgebouwd. Bagdad heeft de controle over dit gebied totaal uit handen moeten geven, terwijl de grote mate van zelfstandigheid van de Koerden in Noord-Irak heeft bijgedragen aan een verdere opbloei van de terreur door de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in Zuidoost-Turkije. In de boodschap die Sezgin van de Turkse president Süleyman Demirel aan Saddam had meegekregen klonk de Turkse ongerustheid over die situatie door: we ondersteunen een soeverein Irak, maar daarvoor is het noodzakelijk dat de VN-resoluties worden nageleefd omdat anders de Westerse wereld nog sterker dan nu al het geval is de separatistische krachten in Irak zal ondersteunen.

Als gevolg van de Golfoorlog is het vervoer van olie met Turkse tankauto's, dat voor een levendige grenshandel zorgde en het onderontwikkelde Koerdische zuidoosten van Turkije nog enige welvaart bracht, gestopt. De verdere verarming van de streek is een goede voedingsbodem voor het Koerdische separatisme. Verzachting, dan wel opheffing van het embargo tegen Irak zou het tij enigszins kunnen keren. De ontmoetingen van Sezgin met de Iraakse machthebbers waren dan ook mede bedoeld om wegen te vinden om - ondanks het embargo - de grenshandel weer te activeren. Dat dit van levensbelang is voor de regio, en het tegengaan van de Koerdische terreur, werd vorige week ook nog eens onderstreept in een ontmoeting tussen premier Çiller en de voorzitters van de Kamers van Koophandel in Zuidoost-Turkije.

Een andere kwestie die Turkije zorgen baart is de gebrekkige veiligheid in de Turks-Iraakse grensstreek. Hoewel er een samenwerkingverband bestaat tussen de Iraakse Koerden en Turkije wat betreft de bestrijding van de PKK-guerrillastrijders in de bergen, is het vertrouwen in met name de Koerdenleider Talabani in de afgelopen maanden tot het nulpunt gedaald. Talabani wordt ervan beschuldigd weliswaar de terreurdaden van de PKK af te keuren, maar tegelijkertijd de organisatie een grote mate van vrijheid toe te kennen in Noord-Irak, wat de PKK-guerrillastrijders in staat stelt om, gedeeltelijk via Iran, hun operaties in Zuidoost-Turkije te blijven uitvoeren. In het belang van de eigen veiligheid opteert Turkije voor een permanente status van de Koerden binnen een verenigd Irak. De opheffing van het VN-embargo zou een eerste stap in die richting kunnen zijn, gevolgd door nieuwe onderhandelingen tussen de Koerden-leiders in Noord-Irak met Bagdad over een toekomstige autonome status.

    • Froukje Santing