Het einde van België?

MET STAKINGEN die de komende weken als een estafette door het land zullen trekken, verzetten de Belgische vakbonden zich tegen het voorgenomen crisisplan van de regering-Dehaene. Het gaat om een vertrouwd Europees sociaal-economisch probleem in een specifiek Belgische context: de sociale zekerheid is onbetaalbaar, de arbeidskosten zijn te hoog, meer Belgen moeten aan het werk.

De socialistische, christen-democratische en liberale bonden uit Vlaanderen en Wallonië heben zich eensgezind achter de protestacties geschaard tegen de saneringsplannen van de coalitieregering van Vlaamse en Waalse socialisten en christen-democraten onder leiding van premier Jean-Luc Dehaene. De sociale onrust die zich nu in België voordoet, is een voorbode voor wat andere Europese landen te wachten kan staan als pogingen om een sociaal akkoord te sluiten mislukken en lang vooruit geschoven sociale aanpassingen plaatshebben.

Half oktober liepen de onderhandelingen tussen de regering en de sociale partners over een wederopbouw-pact vast. Na wekenlang beraad heeft het kabinet vannacht overeenstemming bereikt over een crisisplan waarbij het speerpunt de hervorming van de sociale zekerheid is. Daarover merkte het Belgische planbureau een maand geleden op dat “op korte termijn maatregelen genomen moeten worden opdat in die sector geen sneeuwbal aan het rollen wordt gebracht”.

Ter tafel ligt een plan voor bevriezing van de lonen, belastingverhogingen en bezuinigingen van 100 miljard frank (vijf miljard gulden) op de sociale uitgaven. Dat is volgens de regering onvermijdelijk omdat de sociale zekerheidsuitgaven de grootste federale begrotingspost zijn en bezuinigingen de enige manier zijn om het financieringstekort terug te dringen. Hervorming van de sociale zekerheid moet bovendien bijdragen om de onevenwichtigheid op de arbeidsmarkt, waar de 'ondertewerkstelling' inmiddels eenvijfde tot een kwart van de beroepsbevolking treft, aan te pakken.

MISLUKT HET CRISISPLAN en slaagt Dehaene er niet in zijn voorstellen door te zetten, dan staat België voor grote ontreddering. Vlaanderen, Wallonië, het gewest Brussel en de Duitse gemeenschap worden bij elkaar gehouden door de koning en door de onverdeelde last van de sociale zekerheid en de staatsschuld. De Belgische staatsschuld (140 procent van het bnp, het hoogste van de EG) is groter dan het totaal aan goederen en diensten dat de Belgen jaarlijks produceren. Het is de prijs van de federalisering van België, de bestuurlijke opdeling waarbij de scheiding is afgekocht door steeds gecompliceerdere afspraken te maken.

In een doemscenario dat in België opgang maakt, wordt dan ook bepleit om België, net als een onderneming waar de schuldeisers voor de poort staan, bankroet te verklaren, de schulden af te waarderen, de resterende boedel te verdelen en opnieuw te beginnen met een gescheiden Vlaanderen en Wallonië.

Enkele jaren geleden hield de toenmalige Belgische premier Martens een pleidooi voor de Benelux om de positie van de kleinere landen in de EG te versterken. In navolging van Nederland verklaarde België in 1991 dat de frank voortaan onveranderlijk aan de Duitse mark was gekoppeld. Sinds deze zomer, toen de marges van het Europese Monetaire Systeem werden opgerekt en alleen de gulden de koppeling met de D-mark volhield, staat de frank evenwel onder voortdurende druk. Het perspectief van een muntunie tussen Duitsland en de Benelux als voorloper op een Europese Monetaire Unie, verdwijnt achter de horizon. Luxemburg dreigt zich intussen los te maken uit de gemeenschappelijke munt met België.

DE BELGISCHE crisis krijgt daarmee directe betekenis voor het Nederlandse Europa-beleid, waarbij het zwaartepunt moet verschuiven van ijdele hoop op de wederopstanding van de Benelux naar grotere aandacht voor Vlaanderen. Intussen staat Dehaene voor een politieke krachtmeting met de vakbeweging waarvan de uitkomst medebepalend zal zijn voor de vraag in hoeverre België nog een levensvatbare sociaal-economische toekomst bezit.