Haags tribunaal

HET VREDESPALEIS in Den Haag ademt nieuw leven. Vandaag neemt het Internationaal straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië officieel een aanvang. Dit vormt een bevestiging van de internationale rol van Den Haag als juridisch hoofdkwartier. Er zijn echter weinig redenen tot gelukwensen. Gezaghebbende deskundigen achtten het vrijwel uitgesloten dat het hof een wezenlijke bedreiging voor schuldige personen zal vormen of zal bijdragen tot naleving van het humanitaire recht in het ontwrichte land.

Juridisch gezien zijn er allerlei complicaties, maar toch zijn die niet het grootste probleem: “Het relevante recht bestaat”, zoals de Internationale commissie van juristen het eerder dit jaar uitdrukte. Knelpunten zijn veeleer de concrete mogelijkheden bewijsmateriaal te produceren dat voldoet aan de strenge eisen van het strafrecht, en vooral natuurlijk de pakkans.

“Hoe kan je een strafproces voeren waar de grote verdachten verstek laten gaan tenzij men hen van de onderhandelingstafel weghaalt”, was de bittere reactie van de Bosnische afgevaardigde naar de VN. Dat geldt overigens voor alle partijen in het conflict, inclusief de zijne. Deze internationale politieke dekking voor de aanvoerders slaat om in regelrechte tegenwerking wanneer het om het praktisch bijeenbrengen van bewijsmateriaal gaat. Dit is althans de klacht van de onlangs afgetreden voorzitter van de commissie van onderzoek, prof. Kalshoven.

TOCH IS HET te simplistisch het hof louter als doekje voor het bloeden af te schilderen. De belemmeringen zijn niet in de laatste plaats een kwestie van politieke wil, en dus niet onverzettelijk. Dat er nu tenminste een begin wordt gemaakt met een internationaal gerechtelijk onderzoek van humanitaire vergrijpen is niet minder dan een historische stap.