Een Gordiaanse knoop in staal

Tienduizenden werknemers in de Europese staalindustrie houden de adem in. Komt er een door Brussel begeleide herstructurering van de bedrijfstak of zal de staalsector doorzieken met een ieder-voor-zich mentaliteit waarbij nationale overheden hun staalbedrijven met miljardensubsidies overeind proberen te houden?

Morgen buigen de Europese industrieministers zich voor de derde maal dit jaar over de Gordiaanse knoop van de staalindustrie in de Europese Gemeenschap: het beëindigen van ontoelaatbare subsidies en het verminderen van de bestaande overcapaciteit van omstreeks 30 procent. In totaal zal ongeveer 30 miljoen ton capaciteit in de ruwstaalproduktie, waarvan circa 20 miljoen ton aan warmwalscapaciteit, dienen te verdwijnen om de industrie weer een gezonde basis te geven. Werd aanvankelijk nog aangenomen dat die sanering 50.000 banen zou kosten, nu is die prognose bijgesteld en wordt gesprokken over een verlies van 80.000 tot 100.000 arbeidsplaatsen.

Maar voordat er überhaupt sprake kan zijn van vrijwillige capaciteitsreductie zal Brussel eerst een akkoord moeten bereiken met de lidstaten - Italië voorop - die hun overheidsstaalbedrijven met miljarden guldens ondersteunen. De voortekenen zijn niet gunstig. EG-commissaris Karel van Miert (concurrentiezaken) hees de laatste weken de stormbal. Bij verschillende gelegenheden liet hij zich uitermate somber uit over een mogelijk akkoord. Van Miert vreest dat Italië (en misschien ook Duitsland) een besluit over het beëindigen van de staalsubsidies met een veto zal blokkeren. Zo'n mislukking, aldus de Europese commissaris, zal leiden tot complete chaos in de staalsector. Het zal volgens hem ook voor staalindustrieën die nu geen subsidie krijgen, een vrijbrief zijn om bij hun nationale overheid aan te kloppen om steun.

Als dit doemscenario zich voltrekt, dreigt het hele bouwwerk van de begin jaren vijftig opgerichte Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in duigen te vallen. Volgens insiders in de staalindustrie zal zo'n situatie onvermijdelijk tot gevolg hebben dat enkele grote Europese staalbedrijven het loodje leggen. Daarbij wordt het meest gevreesd voor het voortbestaan van een aantal particuliere ondernemingen - genoemd worden met name het Duitse Krupp maar ook eventueel het Nederlandse Hoogovens. Alle mogelijkheden om de sociale gevolgen van de noodzakelijke sanering van de staalindustrie in EGKS-verband te verzachten zijn dan afgesneden.

De stellingen in het Europese staaldebat lijken onwrikbaar. Sinds begin dit jaar probeert de Europese Commissie tevergeefs alle regeringen en producenten op één lijn te krijgen. De knoop zou aanvankelijk in september al worden doorgehakt maar onbuigzaamheid van vooral de Italianen leidde tot uitstel en een niet te doorbreken impasse. Wanneer de EG-ministers morgen de noodzakelijke beslissingen opnieuw enkele maanden voor zich uitschuiven of een nietszeggend compromis uit de bus komt zal dat volgens staaldeskundigen funeste gevolgen hebben voor een sector die vorig jaar in totaal circa negen miljard gulden verlies leed en die dit jaar waarschijnlijk voor eenzelfde bedrag aan rode cijfers zal schrijven. “Er moet nu echt iets gebeuren anders vallen er simpelweg enkele grote bedrijven om”, zegt directeur Jan D. Glimmerveen van Nedstaal in Alblasserdam, de David van de Nederlandse staalindustrie. “Als de marktsituatie niet verbetert is bij de meeste ondernemingen eind volgend jaar het eigen vermogen opgegeten, dan is het over en uit.”

Sinds het begin van dit jaar heeft de Europese Commissie de Luxemburger Fernand Braun als speciale afgevaardigde al enkele ronden langs de verschillende staalbedrijven laten maken om het ambitieuze saneringsplan - het verminderen van de huidige produktiecapaciteit voor ruwstaal van circa 166 miljoen ton naar 130 à 140 miljoen ton - samen met de industrie in te vullen. Een kleinere produktiebasis moet een eind maken aan de 'zelfmoordprijzen' waartegen staalbedrijven de afgelopen tijd hun produkten sleten ten einde een zo groot mogelijk deel van hun hoge vaste kosten terug te verdienen. Italië, Duitsland en Spanje zullen naar verwachting het meest moeten inleveren. Italianen en Spanjaarden zullen in ruil daarvoor eerst hun sterk verliesgevende staalbedrijven met overheidsgeld mogen saneren.

Pag.20: Beëindiging subsidies vormt groot struikelblok

Uit lijfsbehoud is een aantal Europese staalconcerns zelf al begonnen met het sluiten van overtollige capaciteit. Zo is in Duitsland dit jaar al 5 miljoen ton capaciteit verdwenen door het sluiten van onrendabele hoogovens. De surseánce van Klöckner en het faillissement van Saarstahl droegen aan dit proces bij.

EG-afgezant Braun concludeerde deze zomer dat de industrie zelf al bereid was 10,5 miljoen ton ruwstaal-capaciteit waarvan 7,3 miljoen ton warmwalscapaciteit te schrappen. De industrie zelf heeft mogelijkheden aangegeven om daar bovenop nog eens 16 miljoen ton produktiecapaciteit weg te snijden inclusief 11 miljoen ton walscapaciteit. Maar de bedrijven die door deze ingrepen het zwaarst worden getroffen zijn alleen tot die inkrimpingen bereid indien collega-ondernemingen die niet of minder hoeven te saneren, meebetalen in de kosten van sluiting en de afvloeiing van personeel. In principe zijn de meer efficiente Europese staalbedrijven wel bereid tot zo'n solidariteitsheffing maar zij stellen op hun beurt alles afhankelijk van het definitief stoppen met subsidieverlening in landen als Italië en Spanje.

De meest fervente bestrijders van staatsteun in Europa zijn de Britten. Topman Brian Moffat van British Steel - geprivatiseerd en een van de weinige Europe staalconcerns die winst maken - heeft zich meermalen met uiterst scherpe tong over de voortdurende subsidies in Zuideuropese landen uitgelaten. “Als de Europese Commissie de zaak van de subsidie-beëindiging verprutst, dan is British Steel niet bereid bij te dragen aan de vrijwillige saneringsheffing”, kondigde Moffat keihard aan.

Of de Italiaanse regering onder druk van de publieke opinie zal durven instemmen met forse sanering in de staalbedrijven is hoogst dubieus. Gisteren protesteerden werknemers van het staalbedrijf Ilva al bij voorbaat tegen voorstellen om de produktie in de grote fabriek in het Zuiditaliaanse Taranto met 1,7 miljoen ton in te krimpen. Volgens de werknemers betekent zo'n produktiebeperking het onherroepelijke einde van dit bedrijf, een van de grootste van Europa.

De Italiaanse staalindustrie heeft een schuld van omstreeks 10 miljard dollar aan de staat. Rome wil net als andere staatsbedrijven ook de staalondernemingen privatiseren. Maar bij andere Europese concurrenten bestaat de vrees dat langs via zogenaamde privatisering alleen maar een omweg voor de staatssteun wordt gezocht. Ook de Duitsers, in principe felle tegenstanders van overheidssteun aan de staalindustrie, hebben een probleem. Het plan om 1,9 miljard mark te investeren in een uitbreiding met bijna 900.000 ton van de produktiecapaciteit voor warmgewalst staal bij Eko Stahl in de voormalige DDR kan geen genade vinden in de ogen van de EG-commissie. Die vindt het plan niet te rijmen met het streven naar vrijwillige capaciteitsinkrimping in Europa. Inmiddels hebben de Duitsers bijgestelde plannen ingediend die bij de Commissie een positief onthaal hebben gekregen. De plannen komen er op neer dat de ruwstaalproduktie van Eko Stahl nog iets meer wordt ingekrompen dan eerder was voorgesteld.

Hoogovens probeert zich voor de beslissende slag in de Europese staalindustrie te wapenen met kostenbesparende maatregelen, doorgevoerde prijsverhogingen, de plotseling gestegen verkopen van halffabrikaten naar het Verre Oosten, met name naar China. Om de uitgeholde vermogenspositie te versterken komt het bedrijf met van aandelenemissie van 300 miljoen gulden. Eerder deze maand werd naar schatting al vijftig miljoen binnengehaald met de verkoop van zes dochterondernemingen die niet direct tot de kernactiviteiten behoorden. In de tweede helft van dit jaar denkt het bedrijf wat staal betreft zelfs weer in de zwarte cijfers terecht te komen.

“Wat je op het ogenblik bij alle grote staalindustrieën in Europa ziet is dat iedereen op zijn eigen manier voor zichzelf bezig is tijd te kopen”, zegt Henk Vos, kamerlid voor de PvdA en voorzitter van de Kamercommissie voor Economische Zaken. “Ik vind Hoogovens een belangrijke industrie voor Nederland. Ook vind ik dat je daar voorzichtig mee om moet springen. Anderzijds kan een moment aanbreken dat een staalindustrie zo'n strategisch minimum heeft bereikt dat je je dient af te vragen of je daar mee door moet gaan.”

Bestuursvoorzitter van Hoogovens ir. M.C. Van Veen realiseert zich dat overleven in de huidige Europese staalmalaise simpelweg neerkomt op een survival of the fittest. Evenals zijn collega van British Steel Moffat is hij mordicus tegen staatssteun. Alleen in uiterste nood zal hij aankloppen bij Economische Zaken, dat bereid lijkt soepelheid te betrachten bij de terugbetaling van leningen.

Van Veen gaat er prat op dat Hoogovens zich de afgelopen jaren flink gewapend heeft tegen de uitputtingsslag die met de concurrentie wordt gevoerd. In de periode 1991 tot en met 1993 heeft Hoogovens een jaarlijkse kostenbesparing doorgevoerd van ongeveer 700 miljoen gulden. Met de afslankingsplannen die nog moeten worden uitgevoerd, gokt het bedrijf in 1995 op een structurele kostenbesparing van 850 miljoen gulden per jaar. Mede door die bezuinigingen heeft Hoogovens tot nu toe slechts 250 miljoen gulden hoeven aan te spreken van het zogeheten stand by-krediet van één miljard gulden, een soort blanco cheque die Hoogovens halverwege de jaren tachtig heeft losgepeuterd bij de banken.

De imponerende kostenreductie heeft echter wel tot het verlies van de nodige banen geleid. Eind 1996 zullen er bij de staaldivisie van Hoogovens nog maar 8600 mensen werken, tegenover 14.000 in 1991. “Hét thema in de staalindustrie is momenteel het drukken van de personeelskosten”, beaamt Glimmerveen van Nedstaal, een volle dochter van het Duitse staalconcern Thyssen. “Niemand vestigt zijn hoop op een Europese oplossing van het probleem. Zeker grote organisaties halen nu het vet weg dat in de jaren zestig gegroeid is. Qua vermogenspositie is Thyssen onder de grote staalbedrijven de sterkste. Maar veel zegt dat niet. Als er in Brussel geen oplossing wordt gevonden hebben ze allemaal eind volgend jaar hun vermogen opgevreten.” Met enigszins andere bewoordingen komt Henk Vos tot een identieke conclusie: “Het heeft geen zin de discussie in Brussel nog drie, vier maanden vooruit te schuiven. Een aantal bedrijven kan daar niet meer op wachten.”

Hoogovens meet zijn concurrentiekracht in de staalindustrie aan de steeds verder toegenomen arbeidsproduktiviteit van het bedrijf. Kostte de produktie per ton staal in 1987 nog 5 manuren, eind dit jaar zal Hoogovens 3 manuren per ton staal realiseren. “Daarmee klasseren we ons als geïntegreerd staalbedrijf op topniveau”, zegt Van Veen. “We behoren tot de top drie van Europa.”

Deskundigen in de staalindustrie blijven niettemin sceptisch gestemd. Tegenover de produktiviteitswinst staat de verminderde vraag als gevolg van de recessie. “Tel de verpakkingsindustrie en de autoindustrie bij elkaar op en je hebt negentig procent van Hoogovens-activiteiten”, zegt één hunner. “En uitgerekend de autoindustrie heeft zware klappen gekregen. Zolang die industrie niet aantrekt, moet je je instellen op de huidige lage staalprijzen.”

    • Ben Greif
    • Marc Serné