Dossier Kernenergie een soort vrije oefening

ROTTERDAM, 17 NOV. Het langverwachte Dossier Kernenergie, deze week door minister Andriessen aan de Tweede Kamer aangeboden, heeft voor het zittende kabinet geen consequenties. De studie is in essentie een stand-van-zaken op technisch gebied, zonder noemenswaardige beleidsaanbevelingen. Bij zijn aantreden heeft het kabinet te kennen gegeven geen initiatieven met betrekking tot uitbreiding van het nucleair vermogen te zullen nemen, al heeft Andriessen nooit verheeld dat hij kernenergie een aantrekkelijke energiebron vindt.

Het huidige kabinet heeft weinig méér besloten dan dat het de nucleaire competentie in stand wil houden (kosten zes miljoen gulden onderzoekssteun per jaar), dat het in de diepe ondergrond op te bergen chemische en nucleaire afval terugneembaar moet zijn en dat de kerncentrale Borssele open mag blijven tot 2007.

Of Dossier '93 in de komende kabinetsformatie een rol zal spelen valt nog te bezien. Weliswaar is de felle polarisatie rondom het thema kernenergie verdwenen en heeft de groep rabiate tegenstanders van uitbreiding van kernenergie aan politieke invloed ingeboet, maar met de maatschappelijke acceptatie van kernenergie is het na 'Tsjernobyl' nooit meer goed gekomen. Uit de sinds 1986 lopende halfjaarlijkse huis-aan-huis enquête onder 1200 Nederlanders (de 'Energiemonitor') blijkt dat op dit moment ongeveer 60 procent van de Nederlanders grootschalige toepassing van kernenergie afwijst; 48 procent is zelfs voorstander van sluiting van de bestaande kerncentrales. Het is niet waarschijnlijk dat daarin op korte termijn zonder een indringende promotiecampagne veel verandering komt. De acceptatie is in de rest van West-Europa niet veel beter, Frankrijk en in mindere mate Engeland uitgezonderd.

Toch geeft EZ zich niet zomaar gewonnen. Het Dossier wijst erop dat de aard van de vraagstelling en de geboden achtergrondinformatie doorslaggevend zijn voor de uitslag van een enquête. Het gebruik van kolen stuit op nog meer weerstand dan uranium. En windenergie scoort zeer gunstig terwijl plaatsing van windturbines in praktijk op steeds meer verzet stuit. Daarom is een nieuwe 'keuze-enquête' ontwikkeld die de respondenten achtergrondinformatie geeft en daarna tot een keuze tussen de verschillende energievormen dwingt, eerder dan een vrijblijvende afwijzing van alle energievormen toe te staan. Of het de bouw van nieuwe kerncentrales waarschijnlijker maakt blijft twijfelachtig.

Dossier '93 heeft dus aspecten van een vrije oefening binnen het kader van het programma instandhouding nucleaire competentie (PINC) en is door een aantal deelnemers ook letterlijk zo opgevat. Toch werd door politieke en ambtelijke voor- en tegenstanders van kernenergie op voorhand veel waarde aan het rapport toegekend. Insiders beweren dat aan het verschijnen van de definitieve versie een zware worsteling tussen de ministeries van EZ en VROM is voorafgegaan.

Sporen van die worsteling zouden vooral zijn terug te vinden in de beschouwingen over risico en veiligheid. Waar in het buitenland de veiligheid van kernreactoren wordt afgemeten aan de kans op kernsmelting of de kans op een substantiële lozing naar de omgeving, hanteert Nederland als criterium het risico op overlijden van omwonenden van een kernreactor door een reactorongeluk. Daarbij kunnen twee maten worden gehanteerd: het individuele risico en het groepsrisico en voor elk zijn meer of minder lukraak toelaatbaarheidsgrenzen aangegeven. In principe zou het risico van een nieuwe kernreactor aanvaardbaar kunnen zijn volgens de ene norm en onacceptabel volgens de andere. De reactorvergelijkingen van ECN en Kema hebben die uitkomst - gelukkig - niet gehad. Het is onduidelijk in hoeverre daarij een rol heeft gespeeld dat in het groepsrisico de 'late doden' (overleden aan kankers die zich pas jaren na een kernramp openbaren) niet zijn meegeteld omdat dit type sterven niet leidt tot maatschappelijke ontwrichting en de kankergevallen die door een kernramp zijn ontstaan statistisch vrijwel zeker nooit zullen zijn terug te vinden tussen het grote aantal 'normale' kankergevallen. Kanker veroorzaakt nu al eenderde van alle sterfte.

Over de eindopberging van radioactief afval van in gebruik zijnde en te ontmantelen kerncentrales, concludeert het Dossier ronduit dat veilige opberging in steenzoutvoorkomens en andere 'gastgesteenten' technisch mogelijk is en dat de in 1985 begonnen bureaustudies daarnaar nu zijn afgerond. Maar tegelijk: dat maatschapelijke weerstand tegen fase 2 van het onderzoek (proefboringen) zó groot is dat men zich voorlopig maar tot nieuwe bureaustudies en laboratoriumproeven moet beperken. Die zouden zich dan moeten richten op de nieuwe eis van 'permanente terugneembaarheid' en de veelbelovende actiniden-verbranding: de nucleaire verbranding van de doorgaans hoog radiotoxische activeringsprodukten als plutonium, thorium en americium die de totale hoeveelheid op te bergen afval sterk reduceert. Maar het Dossier wijst erop dat kiezen voor actiniden-verbranding een keuze voor opwerking van splijtstof impliceert met de bijbehorende extra stralingsbelasting van de omgeving en emissie van krypton-85. Nederland zou daarom ook kunnen besluiten om, zoals de VS en Zweden, de afgewerkte splijtstofstaven langdurig boven de grond op te slaan. De interim-opslagfaciliteit COVRA bij Borssele heeft voor vele tientallen jaren ruimte en kan moeiteloos worden uitgebreid.