De Indische buurt vraagt en krijgt extra 'ogen en oren'

AMSTERDAM, 17 NOV. “In de Indische buurt is het met de criminaliteit niet erger gesteld dan in andere delen van de stad”, houdt politieman D. ten Boer de zaal voor. “Het gaat hier zelfs vaak beter.” Maar de oren van de bewoners staan er niet naar.

Sinds sigarenhandelaar A. Hartman werd doodgeschoten in zijn winkel, vandaag tien dagen geleden, leeft nog maar één gevoel in de Amsterdamse Indische buurt: het is hier onveilig, 'niet leefbaar'. De plek waar Hartman werd gedood, hoek Molukkenstraat-Valentijnkade, is een bedevaartsoord geworden. Nog steeds liggen er bloemen op straat en worden er kaarsen gebrand. Maar “als je een monument wilt oprichten voor Hartman”, had ondernemer P. Sijtsma gezegd, “dan moeten we ons samen sterk maken tegen de criminaliteit”.

Gisteren vergaderde de deelraad met politie en bewoners over het veiligheidsbeleid. “We willen de bewoners laten zien dat er iets gebeurt”, aldus deelraadvoorzitter W. Mendelts. Er is bestuurders en politie veel aan gelegen de dadendrang van de bewoners in goede banen te leiden. Die van de potige C. de Jong bijvoorbeeld, die een buurtwacht probeert te organiseren. Hij trekt een gedrongen man naar voren die nog bij de reserve-politie in Canada heeft gezeten. “Ook een man van actie.”

Politieman Ten Boer tolereert geen knokploegen op straat, maar “ik omarm iedere samenwerking met de buurt”. Vandaar dat Lubbersen, die het initatief van De Jong heeft overgenomen, de burgerwacht heeft omgedoopt in 'sociale-controlegroep'. Hij verwijst naar mevrouw H. Krug, die een sigarenhandel drijft in de naastgelegen Watergraafsmeer. Zij is nooit alleen in haar winkel, vertelt ze de zaal. Op een stoeltje naast het lectuurrek zitten in wisseldienst buurtbewoners op te letten. En als ze 's avonds met de kas over straat moet, is de politie altijd bereid haar op te halen. “Dat is me uit het hart gegrepen”, zegt Ten Boer.

De politie zoekt een evenwicht tussen haar eigen beleid (niet te veel mensen op straat, maar mensen die vanuit het bureau de oorzaak aanpakken) en de behoefte van de burgers, die altijd om meer agenten op straat vragen. “Extra surveillance leidt niet tot minder criminaliteit”, aldus Ten Boer. “Ik los meer zaken op vanuit het bureau.”

En 'puur getalsmatig' gaat het in de Indische buurt niet zo slecht. “Drie à vier straatroven per maand”, aldus Den Boer. “Ik ken heel wat wijken waar dat erger is.” Toch kan de politie de roep uit de buurt niet onbeantwoord laten. In het wijkteam Balistraat komen er volgend jaar elf agenten bij en die gaan de straat op. “Elke agent op straat is er één”, onderstreept deelraad-wethouder S. Steinmetz. Van achter de tafel registreert hij nauwgezet elk applaus en elke boegeroep uit de zaal.

De deelraad belooft een Stuurgroep Veiligheid. Bovendien komen er politiesurveillanten: functionarissen in politie-uniform die alleen bevoegdheden hebben die bij surveillance horen. Ze mogen verkeersovertreders straffen en verbaal opmaken tegen winkeldieven. De politie gaat ook nauwer samenwerken met de stadswachten, voor wie de zaal louter honende opmerking over heeft (“patatjes eten in de Javastraat, meer doen ze niet”). Zij zullen gestationeerd worden in bureau Balistraat en de 'ogen en oren' van de politie worden, volgens Ten Boer.

Wie er niet aan te pas komt op deze buurtvergadering is W. Beaux, gemeenteraadslid voor CP'86. Als hij zich voorstelt bij de microfoon, de blauwe regenjas nog aan, begint de zaal te loeien. “Lijkenpikkers”, en: “We hebben jullie hier niet nodig.” De rest van de avond beperkt hij zich tot schampere opmerkingen, alleen bijgevallen door zijn kortgeschoren lijfwachten.

    • Bas Blokker