Countertenor Michael Chance over zijn stem, opera en pop; Een zanger met een vrouwenstem

“Een countertenor moet het vrouwelijke karakter van zijn stem combineren met een zo mannelijk mogelijke uitstraling,” zegt Michael Chance, die op dit moment te horen is in de Monteverdi- opera L'Incoronazione di Poppaea. Over de verschillen tussen een castraat- en een falsetstem.

Michael Chance geeft op 18 nov. om 20u15 een solo-recital in de Gertrudiskerk in Utrecht. Res. 030-340921.

De uitvoeringen van Poppaea in het Amsterdamse Muziektheater (22, 25, 28 en 30 nov.) zijn alle uitverkocht.

Michael Chance staat op het punt te gaan zingen. Hij wijst naar een denkbeeldige plek in de ruimte, alsof hij wil waarschuwen waar zijn toon zal inslaan. Dan klinkt het typische geluid van de hoge mannenstem, de countertenor, een beetje metalig, glashelder en met de scherpte van een laserstraal. “Het is ongelofelijk hoe nauwkeurig de menselijke stem is,” zegt Chance als hij uitgezongen is. “Ik stel me een toon voor, met een bepaalde sterkte, intonatie en toonhoogte, en ben in staat om hem zonder aarzelen te produceren. Dat is toch heel wonderlijk.”

De 38-jarige Engelse zanger is op dit moment te zien als Ottone in L'Incoronazione di Poppea van Monteverdi, een produktie van de Nederlandse Opera. Hij weet eigenlijk niet eens wat hij precies met zijn stem doet als hij zingt. Chance: “Dat moet u aan een arts vragen. Zingen is puur fysieke sensatie. Als het goed voelt, klinkt het goed. Vandaar dat tijdens zanglessen ook altijd in metaforen wordt gesproken. Voor buitenstaanders zijn die meestal volstrekt onbegrijpelijk.”

Chance, die een 'normale', vrij diepe spreekstem heeft, weet er natuurlijk wel iets van. Hij legt uit - maar met de nodige slagen om de arm, want niemand weet volgens hem precies hoe het zit - dat een countertenor zingt met zijn falsetstem. Daarvoor spant hij zijn stembanden iets aan. “Gewoonlijk trillen de banden in het midden, daar lubberen de spieren het meest,' zegt Chance. “Door ze te spannen, verplaatst de trilling zich naar de rand, waardoor er een hoger geluid ontstaat. Maar het gaat niet alleen om de stembanden. De lichaamsholtes in borst, mond en voorhoofd zijn zeker zo belangrijk. Dat zijn resonantieruimtes waarin de toon uiteindelijk moet worden uitvergroot. Maar tijdens het zingen hou je je niet met dit soort zangtechnische dingen bezig. Het moet vanzelf gaan, want als je naar jezelf gaat staan luisteren, wordt de emotie naar binnen gericht.”

Sinds het verdwijnen van de castraat, kwam de hoge zangstem voor mannen in Europa vrijwel niet meer voor - buiten Europa, bij voorbeeld in Japanse en Chinese volksmuziek is het altijd een normaal verschijnsel gebleven. Pas in de jaren veertig van deze eeuw liet Alfred Deller op het podium zijn falsetstem horen. Samen met de Engelse componist Michael Tippett bedachten ze voor deze stem de naam countertenor.

Volgens Chance verrichtte Deller een moedige daad, door in het openbaar als solist een hoge stem te gebruiken. Want het heeft iets verwijfds om als man hoog te zingen. Chance: “Bij jongens breekt de stem ergens tussen hun twaalfde en vijftiende jaar - een paar eeuwen geleden gebeurde dat overigens veel later. In principe hangt de toonhoogte van een volwassen mannenstem af van de anatomie, maar ook de omgeving is van invloed. In sommige kringen in het bijzonder cool om een donkere stem te hebben. Jongens drukken hun stem vaak doelbewust omlaag en dat is, juist in een periode waarin het lichaam snel groeit en verandert, wellicht van grote invloed.”

Chance komt voort uit de Engelse koortraditie. Hij zong vele jaren als koorknaap in Cambridge. Dat verklaart misschien waarom hij probeerde zijn stem in die kwetsbare periode juist hoog te houden. Als een jongensalt eenmaal begint te breken, is hij voor het koor nutteloos geworden en duurt het jaren voordat hij als tenor of bariton kan terugkeren. Om dat moment uit te stellen moet de hoogte dus zo lang mogelijk gekoesterd worden. Chance merkte dat de stembreuk weliswaar kwam, maar dat bij het zingen het hoge register vrijwel onaangetast bleef.

“Een countertenor moet het vrouwelijke karakter van zijn stem combineren met een zo mannelijk mogelijke uitstraling,” zegt Chance. “Juist die vermenging van het mannelijke en het vrouwelijke heeft iets bijzonders. Van mannen wordt tegenwoordig gevraagd hun gevoelige, vrouwelijke kant te tonen. Je ziet het ook in de popmuziek. De Beach Boys, Boy George, Michael Jackson - allemaal zingen ze met een hoge stem. In de klassieke muziek was het vroeger de castraat en is het nu de countertenor die deze ambiguïteit hoorbaar maakt.” Als kunstuiting, voegt hij er aan toe, want hij is gewoon getrouwd, heeft kinderen en is van 'zijn eigen seksualiteit as must as one can be.'

Op het podium weet Michael Chance echter over het algemeen een macho-achtige indruk te wekken. Zijn stem is ook wat minder vrouwelijk dan die van veel andere countertenoren. Vooral in Duitsland en Amerika wordt volgens Chance wat vrouwelijker gezongen. Dat heeft te maken met de theater-achtergrond van de zangers.

De laatste jaren heeft Chance zich meer op opera toegelegd. Hij heeft het gevoel dat zijn stem daardoor wat voller en donkerder is geworden en hij is blij dat hij iets meer vibrato kan gebruiken. Door zich meer te richten op hedendaags repertoire probeert hij te ontvluchten de oude muziek. Eerder dit jaar werkte hij bij de Nederlandse Opera mee aan A Midsummer Night's Dream van Benjamin Britten. Hij zong in een opera van Glass en een werk Ligeti, gaf de Schotse componiste Judith Weir opdracht iets voor hem schrijven en zal volgend jaar in Nederland muziek van Robert Heppener zingen. Ooit zou hij graag Schuberts Winterreise zingen, misschien op zijn afscheidsrecital.

“Het is een misverstand om te denken dat een countertenor iets met authenticiteit te maken heeft. Geen van de partijen in de oude muziek die we zingen zijn voor onze stem geschreven. We zingen castraat-partijen, maar het vette geluid van een mezzo-sopraan lijkt waarschijnlijk meer op dat van een castraat. Soms is de countertenor geschikter. In de aria 'Es ist Vollbracht' uit de Johannes Passion bij voorbeeld cirkelen de viola da gamba en de zangstem voortdurend om elkaar heen. Die partij lijkt geschreven voor een counter.

“Uiteindelijk is het een kwestie van mode. Die hausse gaat weer voorbij, maar ik geloof niet dat de countertenor helemaal zal verdwijnen. Hij krijgt zijn eigen plaats, naast de lage vrouwenstem.”