THEO HUIZENAAR 1900-1993; Bezeten van boksen

Bokspromotor en trainer Theo Huizenaar, die gisteren op 93-jarige leeftijd overleed, bokste zelf maar één echte partij. Hij was toen twintig jaar. Hij moest plotseling invallen in een profgevecht als tegenstander van Nelis van Dijk. In het begin ging hij neer, maar bokste de tien ronden uit en behaalde een onbeslist. Huizenaar had, zo bleek later, met zijn leven gespeeld, omdat hij voor het gevecht tijdens een gymnastiekoefening bij een val uit de ringen een zware hersenschudding had opgelopen. Geschrokken beëindigde hij zijn kortstondige loopbaan.

Hij bleef wel actief in het boksen. In 1924 begeleidde hij zijn jongere broer Huib tijdens de Olympische Spelen in Parijs, ging jonge boksers trainen en coachen en werd organisator van gevechten. Zijn boksavonden in de Rivièrahal en het Odeontheater genoten niet alleen in Rotterdam een grote faam. Later kreeg hij een eigen school in de Alexanderpolder. Daar trainde hij zelf nog tot op zeer hoge leeftijd jonge boksers. “Altijd bezig zijn, nooit stilzitten”, verklapte hij op zijn tachtigste verjaardag in 1980 zijn geheim om fit te blijven. “Als je pijn in je knie of in je-ik-weet-niet-wat hebt, ga de deur uit, ga lopen, dan verdwijnt het automatisch.”

Theodorus Adrianus Huizenaar, ridder in de Orde van Oranje-Nassau, beweerde altijd dat boksen de moeilijkste sport is die er bestaat. Hij stoorde zich mateloos aan de ondeskundigheid die hij zag bij het trainen en begeleiden van boksers. “Boksen is een prima sport voor lichaam en geest, maar wel uitsluitend en alleen onder deskundige leiding. Gebeurt dat niet dan is boksen gevaarlijk.” Ook vond Huizenaar dat een deel van het bokspubliek van het verkeerde soort was. “Dat wil alleen bloed zien.”

Zijn grote liefde voor het boksen bespeurde hij ook bij Bep van Klaveren, één van zijn vele pupillen. Daarom was Huizenaar gek op de Europees en olympisch kampioen. “Zo'n bokser wordt maar eens in de honderd jaar geboren”, zei hij over Van Klaveren.