Onkerkelijkheid staat niet gelijk aan ontkerstening

Begin dit jaar gebruikte Kees Fens in een college voor eerstejaarsstudenten Nederlands het woord 'gekerstend'.

Een van de studenten vroeg wat dit woord betekende. Op zijn vraag wie van de ongeveer tachtig aanwezigen het woord ook niet kende stak ongeveer de helft zijn vinger op. Hij kon niet nalaten te zeggen hoe ontkerstend ze waren. Hij begon: Christus, christen, bekeren, kerst en kerstening en ging aan de hand van literatuurvoorbeelden de woorden uitleggen. “Ik stond daar als Franciscus voor de vogels, als Antonius voor de vissen, en ik werd wanhopig, want ik kende het beginpunt niet: op welke historische, religieuze, literaire kennis kan ik aansluiten.” Na afloop kwam een student vragen of hij met Nederlands-hervormde grootouders een christen was. Toen wist professor Fens dat alles tevergeefs was geweest. Hij concludeerde: “We moeten alles maar vergeten of God moet het veertig dagen laten regenen en dan beginnen we opnieuw.” (V.K. 15 jan.).

De vraag is: kunnen we opnieuw beginnen en waarmee moeten we dan beginnen? Er is eens een kerkhistoricus geweest (Johann August Neander, 1789 - 1850), die van mening was dat de geschiedenis van de kerk eigenlijk niets anders was dan de geschiedenis van de in de individuele zielen tot stand gebrachte veranderingen. Deze definitie maakt feitelijk kerkgeschiedenis onmogelijk en beperkt de christelijke godsdienst alleen maar tot een bewustzijnsfenomeen. Persoonlijk kan iedereen in deze omschrijving eventueel opnieuw beginnen. De geconstateerde 'ontkerstening' en de wens om eventueel opnieuw te beginnen heeft echter meestal betrekking op groepen christenen, die samen de kerk of meerdere kerken omvatten. Men spreekt van de kerk als maatschappelijk instituut en juist van de kerk als instituut of wat ook wel gezegd wordt 'het officiële kerkinstituut', daar zet menigeen zich tegen af, terwijl men toch wel 'gelovig' wil blijven in de individuele zin van het woord. Volgens onderzoek zou in ons land rondom de 80 procent van de oorspronkelijke inwoners in een christelijk milieu zijn opgevoed. Wanneer in telefonische enquêtes over religie wordt ondervraagd, worden altijd woorden als kerk en kerkbezoek gebruikt, waardoor de cijfers van de 'onkerkelijkheid' soms onwaarschijnlijk hoog worden en men gemakkelijk onkerkelijkheid met geloofsverval en ontkerstening gelijk gaat stellen. Wie opnieuw wil beginnen, al of niet na een moderne zondvloed, heeft heel wat af te breken. Behalve kerkgebouwen komt men, zeker in ons land, allerlei instituten tegen, die op religieuze fundamenten zijn gebouwd: scholen, media, ziekenhuizen, welzijnsorganisaties, vakbonden en zelfs politieke partijen.

veral komt men deze in oorsprong kersteningsinstituten tegen en wat voor de een een bron van herkenning was, gold voor de ander, die uit een ongelovig milieu stamde, als bron van ergernis. Wie aan die afbraak denkt ziet vanzelf de dramatische televisiebeelden van eertijds kerkelijke, orthodoxe en katholieke regio's in het vroegere Joegoslavië.

Wie kerk niet alleen ziet als een vaststaand gebouw of als een wat fossiel instituut heeft wel een heel beperkt beeld van het christendom als institutie. Het christendom is een historisch proces en ik denk dat de grote reformatorische kerken en de katholieke kerk inderdaad thans in de geürbaniseerde delen van Europa een fase van ontkerstening meemaken. Het is een bekend feit dat het 'atheïstisch communisme' er deze eeuw niet in is geslaagd om het christendom in de vroegere Sovjet-Unie totaal af te breken.

Zo 'atheïstisch' was dat communisme nu ook weer niet, want de huidige paus heeft juist dezer dagen in een Italiaans dagblad betoogd, dat er toch veel goeds zat in het communisme, als tegenstrever van het kapitalisme, dat grote delen van de bevolking laat verhongeren. In de tijd van het Vaticaans Concilie, dat veel wilde hervormen, was een gangbare uitdrukking in ons land om de kerk aan te duiden als 'Volk Gods onderweg'. Dus als een historisch proces, met opbloei en achteruitgang. De Franse theoloog Yves Congar waarschuwde vlak nadat Paus Johannes XXIII opriep tot een wereldwijd 'aggiornamento', tegen overdreven hervormingsplannen. Hij was bang dat de goede instituties ook zouden worden afgebroken. Hij zei: houdt u er rekening mee dat de kerk een bestaande instelling is met een rijk en lang verleden. “Men kan dus niet zo te werk gaan alsof men alles van de grond gaat opbouwen.”

Van totaal afbreken kon geen sprake zijn in die talrijke culturen, waar het christendom was verkondigd en vaste voet had gekregen. Het geloof is uit het gehoor en waar men dit wil verkondigen moet men de taal spreken, die in een eventueel ver afgelegen hoek van de wereld wordt begrepen. Er zijn daarover interessante cijfers. In het jaar 1800 was 23.1 procent van de wereld christen en was het percentage niet-christenen, dat door zending en missie werd bereikt 27.2 procent. In het jaar 1985 was men al een heel eind opgeschoten met de kerstening, want toen was 32.4 van de wereldbevolking christen en werd feitelijk 72.2 procent geëvangeliseerd. Het christendom is nog altijd een minderheid en zal het in de werelddiaspora nog wel even blijven. Zolang er geen niet-christelijke godsdienst opstaat om het christendom uit te roeien. Theologen zijn daar trouwens niet bang voor, omdat de meerderheid, die de christelijke minderheid omgeeft, niet coherent is. Tijdens een symposium deze zomer aan de Leidse Universiteit betoogde prof. J. Adriaanse dat christenen in de tegenwoordige situatie in een bepaald opzicht een minderheid vormen. Maar dat wil niet zeggen dat er onder niet-christenen, in ditzelfde opzicht, een duidelijke meerderheid is. De meerderheid is niet te identificeren, maar in godsdienstig opzicht een abstractie. “Er zijn op dit terrein alleen nog maar minderheden en wat de 'meerderheid' zou moeten heten, is enkel negatief te definiëren: als niet-minderheid.” Sociologen maken zich ook geen zorg over de toekomst van de godsdienst. In het klassieke boek 'The future of religion' van R. Stark en W. Bainbridge (Londen, 1985) staat in de laatste zin: “Evenals in het verleden zal ook de godsdienst in de toekomst door seculiere krachten worden gevormd, maar nooit vernietigd worden... Godsdienst sterft om te worden herboren.”

Er wordt tegenwoordig veel gediscussieerd over geloof en godsdienst. Er zijn in ons land talrijke studie- en gespreksgroepen over dit onderwerp. Kerkleiders, zelfs in de wat autoritair ingestelde grote kerken van Duitsland, roepen op tot dialoog. Niet alleen met de leiders zelf om hun gezagsuitspraken te toetsen, maar ook onder elkaar. Ontkerstening zal ook wel vaak onderwerp van discussie zijn. Er is toch een auteur, die in de geest van Kees Fens opnieuw met het christendom zou willen beginnen. Het is Carl Gustav Jung. Hij schrijft: “Het christendom moet noodzakelijkerwijs weer van voorafaan beginnen ... zolang godsdienst slechts geloof en uiterlijke vorm is en de religieuze functie geen ervaring is van de eigen ziel, tot dan toe is er niets fundamenteels gebeurd. Wie dat niet uit ervaring weet, mag nog zo'n hooggeleerd theoloog zijn, maar van godsdienst heeft hij niets begrepen.”