'Met welke straf komt mama thuis?'

Op een kantoor van de PTT ontstond aan het begin van dit jaar enige paniek. Er bleken met grote regelmaat enveloppen met een kostbare inhoud te verdwijnen. Vooral enveloppen met creditcards en pincodes. De schade liep in vier maanden tijds op tot anderhalve ton. Een of meer ambtenaren moesten knoeien, hun ambtseed ten spijt. Maar wie, o wie?

Een in het geheim geïnstalleerde videocamera bracht uitkomst. De 41-jarige mevrouw Cornelia Ramonius bleek enveloppen in haar buiktasje te stoppen; toen ze bij het verlaten van het gebouw werd aangehouden, had ze vier enveloppen in haar bezit. Mevrouw Ramonius? Daar keek iedereen érg van op. Per slot van rekening was zij de afgelopen zes jaar een onberispelijke medewerkster geweest. Een vrouw die ogenschijnlijk een stabiel leven leidde: gehuwd en moeder van een 7-jarig zoontje. Wat had haar bezield?

We zijn een half jaar verder. Vandaag meldt mevrouw Ramonius, een goed gesoigneerde vrouw, zich met haar advocaat bij de meervoudige strafkamer van de Amsterdamse rechtbank. Tijdens het lange wachten op de gang maakt ze nog een tamelijk opgeruimde indruk, terwijl ze druk met haar advocaat praat. Eenmaal voor haar rechters, is ze een gebroken vrouw die bij vlagen overweldigd wordt door haar emoties.

“Kunt u precies zeggen hoe het begonnen is?” vraagt de voorzittende rechter, mevrouw mr. M. Beins.

“Door iemand.”

“Zo'n vage aanduiding heeft weinig zin.”

“Ik had zelf geen idee om het te doen.”

“U heeft altijd tot volle tevredenheid van iedereen daar gewerkt - en dan ineens dit.”

Mevrouw Ramonius begint in brokkelige zinnen te vertellen hoe ze op een ochtend op weg naar haar werk door een jonge man werd aangesproken. “Waar werk je?” had hij gevraagd. “Bij de PTT”, antwoordde ze. Ja, als hij het al niet had gedacht. Hij zou graag wat met haar bespreken, maar hij werd nog niet concreet. De volgende keer had hij haar botweg gevraagd: “Wil je wat jatten?” “Ik zei dat ik een goeie baan had”, zegt mevrouw Ramonius nu. “Ik was vreselijk bang.”

“Kende u hem?”

“Nee.”

“Het was een zoon van een vriendin van u”, corrigeert de rechter haar.

“Ik kende hem niet zo goed. Ik had hem maar één keer gezien.”

“Heeft u het tegen uw man gezegd?”

“Die wist van niks.”

“Dat begrijp ik niet. U had een goede relatie met uw man en u vertelde hem niets?”

“Ik ben ook bang voor mijn man.”

“Wat maakte het dat u het ten slotte deed?”

“Die man ging maar door: doe het, doe het.”

De man bleek ook een nichtje van mevrouw Ramonius die eveneens bij de PTT werkte, benaderd te hebben. Zij hapte meteen toe. Aangezien beide dames wisselend nachtdiensten verrichtten, werden er elke nacht op het kantoor enkele enveloppen ontvreemd. De twee vrouwen hadden contact met elkaar over de diefstallen. De buit werd zo snel mogelijk overgedragen aan de initiatiefnemer. Volgens mevrouw Ramonius heeft zij er zelf niet meer dan 250 gulden aan overgehouden. Althans, dat zegt zij nú tegen haar rechters. In eerdere fasen van het onderzoek heeft zij andere - overigens ook kleine - bedragen genoemd.

De rechter vertrouwt haar verklaringen niet meer, en laat dat duidelijk merken. Ook de angst als motief stuit bij haar op scepsis.

“Bij het gesprek met de PTT over uw ontslag kon u geen acceptabele verklaring geven”, zegt de rechter. “Mij is het nog steeds niet duidelijk. Was het angst, deed u het voor het geld?”

“Het was angst.”

“Voor iemand die u nauwelijks kende? In alle eerdere verklaringen zegt u dat u het om het geld deed, nu komt u opeens met die angst.”

“Ik weet niet wat ik moet zeggen”, fluistert mevrouw Ramonius.

“Dit is uw vierde verklaring. Wat moet ik geloven?”

“Ik heb het niet uit mezelf gedaan.”

“Dat vraag ik niet. Bent u ermee begonnen omdat u honderd gulden per kaart kreeg?”

“Ik weet niet wat ik moet zeggen.” Mevrouw Ramonius begint te snikken, terwijl de rechter het reclasseringsrapport samenvat. Zij had een dochter uit een vorige relatie toen ze als jonge Surinaamse vrouw naar Nederland kwam. Hier hertrouwde ze en kreeg ze een zoon. Haar man heeft een vaste baan. Financieel kan het echtpaar zich redden, al zijn er enkele kleine schulden. Mevrouw Ramonius is iemand die zichzelf snel wegcijfert en moeilijk 'nee' kan zeggen. Ze zou behoefte hebben aan wat meer variatie in haar leven. Ze houdt van uitgaan, in tegenstelling tot haar man.

De rechter kijkt haar strak aan, blij met de strohalm die het rapport biedt. “Zocht u soms de spanning? Dat komt nogal eens voor. Ik krijg hier vaker dames van uw leeftijd die opeens winkeldiefstallen beginnen te plegen.”

“Ik weet het niet.” Mevrouw Ramonius kijkt hulpeloos om naar haar advocaat, mr. Ph. Raaijmaakers. Die begrijpt evenmin waarom ze de diefstallen heeft gepleegd. Hij pleit voor onbetaalde arbeid als straf. Hij voorspelt een ineenstorting van het gezin als ze de gevangenis indraait. “Haar zoontje zit nu met spanning te wachten: met welke straf komt mama thuis? Het huwelijk heeft al een fikse deuk gekregen, ze voelt zich zó schuldig dat ze zich niet meer normaal kan gedragen.”

“Weet u wat onbetaalde arbeid inhoudt?” vraagt de rechter.

Stilte. Dan snikkende geluiden.

“U moet wel even antwoorden. Het is niet leuk om hier te zijn, maar daar moet u maar even doorheen. Nee, niet omkijken.”

Mevrouw Ramonius snikt verder.

“Mevrouw, doet u eens even uw best”, zegt de rechter scherp. “Niet alleen maar huilen. Anders neemt u maar een slok water.”

De officier van justitie, mr. L. Plas, kan de motieven van mevrouw Ramonius evenmin doorgronden. Angst lijkt hem niet aannemelijk. Hij eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, om te zetten in 240 uur onbetaalde arbeid, plus een voorwaardelijke celstraf van zes maanden.

“Uitspraak over twee weken”, zegt de rechter.

Een bijzittende vrouwelijke rechter fluistert haar iets toe. Dan zegt mr. Beins tegen mevrouw Ramonius: “Misschien doen we maandag al uitspraak. Omdat u anders zo lang in spanning zit. Is dat een idee?”

Mevrouw Ramonius knikt nauwelijks zichtbaar.

(Het vonnis, drie dagen later: conform de eis.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams