Kijk en luister, zie ons werk in de musea en op de podia

De kunstwereld moet zelf met heldere denkbeelden komen voor de rechtvaardiging van het overheidsbeleid voor kunstsubsidies, zei minister d'Ancona vorige week op een bijeenkomst met de Raad voor de Kunst. Maar, brengt Frans de Ruiter van Kunsten '92 hier tegen in, de kunstensector is nooit opgehouden met het aandragen van argumenten.

De Vereniging Kunsten '92 is verbaasd over de uitspraken die minister d'Ancona deed op de bijeenkomst van de Raad voor de Kunst over de rol van kunstrecensies bij de vaststelling van subsidies. Dat de minister bezorgd is kan geen kwaad, maar er klonk ook een kritische toon door, gebaseerd op een verouderd verhaal. Wij zagen er vooral de rook van bepaalde ambtelijk/departementale opvattingen uit opstijgen, want de minister weet zelf heel goed met welke kracht van intelligente argumenten de kunstwereld al jarenlang, en de laatste tijd in verhevigde mate, duidelijk maakt wat de ratio van de subsidiëring van kunst is. Het is dan ook buitengewoon flauw de titel van het boek dat Kunsten '92 onlangs uitbracht Waarom kunst moet als 'kreet' te kenschetsen, alsof het een dummy betreft waarvan het binnenwerk blanco is.

De argumenten 'waarom kunst moet' die Kunsten '92 wil aan te dragen staan in het boekje, pas toen het klaar was hebben we er een passende titel bij bedacht. Het antwoord op de kritiek van de minister is dan ook in deze publikatie te vinden.

bpInmiddels heeft Kunsten '92 een breed bestuur, zijn er bijna tweehonderd leden en hebben tegen de honderdduizend Nederlandse burgers het boekje in hun bezit. De ruimste verdienste van Kunsten '92 is derhalve wel dat kunst, cultuur en cultuurbehoud duchtig op de politieke agenda staan. De argumentatie waarom kunst niet alleen moet, maar ook gesubsidieerd - en in veel aanzienlijker mate dan nu - is ruimer dan die welke de kunstredacteur van de Volkskrant ons onlangs toedichtte: dat wij ons beperken tot kunst als de brenger van reflectie, verdieping en troost. Zo slecht is dat niet, maar er is meer. Kunsten '92 beschrijft in bedoelde uitgave onder meer hoe kunstwerken onze kijk op de wereld bepalen en dus kunnen veranderen; het vertelt over kunst als vrijplaats, als gebied waar menselijker waarden van belang zijn dan daar waar economische krachtmetingen, intimidatie en oorlog er toe doen. De publikatie zet uiteen dat kunst en cultuur een groeisector is, aangezien de behoefte eraan toeneemt door het gestegen opleidingspeil en meer xpvrije tijd. Ook wordt kunst beschreven als een middel om je eigenwaarde terug te vinden en een broodnodige dosis bevrijdende opwinding op te doen.

Deze inhoudelijke zaken staan voorop. Op het gevaar af het verwijt te krijgen dat de wereld van kunst, cultuur en cultuurbehoud ten onrechte of te modieus ook financieel-economische factoren in het debat betrekt, doe ik dat toch even: kunst kost geen geld, is geen overdrachtsuitgave maar brengt zelfs op. De sector kent een flinke arbeidsmarkt, direct en indirect, bijvoorbeeld in het toerisme, de horeca, het vervoer, de grafische en dienstensector. Gebieden met een gevarieerd cultureel aanbod blijken aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor het bedrijfsleven. Waarom trouwens zou de wereld van kunst, cultuur en cultuurbehoud zich steeds weer moeten rechtvaardigen? De enige echte, reële en waardige rechtvaardiging van de subsidiëring van kunst, cultuur en cultuurbehoud is de kunst, de cultuur en het cultuurbehoud zelf.

Monumenten, archieven en kunstenaars kunnen in wezen niet uitleggen wat kunst is. Daar gaat het ook niet om. Het feit dat we in een beschaafde samenleving zijn aangekomen, brengt verplichtingen met zich mee. Zo hebben we bijvoorbeeld de simpele maar niet minder belangrijke taak de aan ons overgeleverde cultuurgoederen beter of in ieder geval in dezelfde staat over te dragen aan de volgende generatie. Als we dan tegelijkertijd de monumentenzorg zien instorten en in de museale depots roest zijn vernietigend werk doet: moeten we dan nog rechtvaardigen waarom daar geld naar toe moet?

Wie deze vraag stelt beledigt in feite de wereld van het cultuurbehoud, de monumentenzorg, de musea en de archieven. Voor deze beide laatste voorzieningen berekende onlangs het ministerie van WVC zelf een extra financieringsbehoefte van bijna 100 miljoen gulden tot het jaar 2000.

Het Fonds voor de Podiumkunsten heeft minimaal een verdubbeling van het budget nodig om de als positief beoordeelde subsidie-aanvragen te kunnen honoreren. De Nederlandse Opera kan de stijgende honoraria van zangers, dirigenten en regisseurs niet betalen, de musea kondigen een vermindering van het aantal tentoonstellingen aan, aangezien de kosten niet meer op te brengen zijn; het Fonds voor de Scheppende Toonkunst beschikt nog steeds niet over de bijna 10 jaar geleden als redelijk vastgestelde subsidie. Veel vertalers leven onder het bestaansminimum en voor de bloei van de Internationale Culturele Betrekkingen - met als interessant nevenverschijnsel uitbreiding van werkgelegenheid - is bijna 10 miljoen per jaar meer nodig. De reparatie van het Kunstenplan 1993-1996 vraagt met onmiddelijke ingang om ruim 20 miljoen meer. De lijst is moeiteloos voort te zetten.

Het is terecht dat de minister zegt dat bij de rechtvaardiging van de cultuurpolitiek doelen, normen en waarden aan de orde zijn. Laat zij volgaarne overnemen wat daarover in de kunstwereld zelf wordt gedacht, zoals ze zo hoopvol zei. Onze sector ontloopt de uitnodiging de rechtvaardiging van een actieve cultuurpolitiek te verschaffen niet. We doen niet anders, kijk en luister, zie ons werk, in de musea en op de podia, lees onze manifesten en andere publikaties, en besteed aandacht aan onze bijdragen aan het openbare debat. Of zeg wat er fout is aan onze argumenten, dan ontstaat er tenminste een interessante discussie. Dat hebben we echter nog niet mogen horen. De kritiek gaat slechts over vermeende vormfouten aan onze kant. Het verwijt van d'Ancona als zouden de kunsten zich niets meer van de wereld aantrekken moet wel rechtstreeks uit de koker van een ambtelijke gefrustreerde toesprakenredacteur met dito fixatie komen.

De minister weet wel beter. Daarvan is immers al jaren geen sprake. Evenmin van een publiek dat in de achterhoede zou geraken. Hier wreekt zich weer het door Kunsten '92 bij herhaling ontzenuwde misverstand, dat het publiek bestaat uit het publiek dat je ziet. Een vele malen groter publiek is gewoon met kunst en cultuur bezig in de huiskamer, waar boeken, CD's, video's, radio en televisie beschikbaar zijn. We mogen alleen niet vergeten dat voor de daar genoten 'kopieën' altijd originelen nodig zijn, en dus beeldende kunstenaars, schrijvers, componisten, musici, theatermakers, choreografen, dansers, etc. En die levende kunst is broodnodig, dient gesubsidieerd, teneinde haar niet alleen beschikbaar te houden voor het publiek dat er voor op pad gaat, maar evenzeer voor de miljoenen die op andere wijze met kunst, cultuur en cultuurbehoud in aanraking komen.

Het moet eens afgelopen zijn met de kortzichtige fixatie van een paar diehards in Rijswijk die zich blijven opwinden over een enkele slecht bezochte experimentele theatervoorstelling, terwijl aan de overgrote meerderheid van de uitingen van kunst, cultuur en cultuurbehoud in groten getale wordt deelgenomen, terwijl ruim de helft van de Nederlanders van 12 jaar en ouder actief een vorm van de kunst beoefent, terwijl bijna de helft van dezelfde groep naar kunstprogramma's op de televisie kijkt. Een kwart van de Nederlanders bezoekt een of meer keren per jaar een theater- of muziekvoorstelling en een nog groter aantal bezoekt een museum. Dáár zijn voor de minister de argumenten waar zij om vraagt.

Kunsten '92 gaat ervan uit dat minister d'Ancona in haar volgende toespraken het gedachtengoed en cijfermateriaal van onze Vereniging tot de hare zal maken.

    • Frans de Ruiter
    • Aandacht voor de Kunsten
    • Vereniging Die Pleit voor Meer Geld