Jeltsin: gevaar van 'roodbruine' coalitie blijft

MOSKOU, 16 NOV. President Boris Jeltsin wil, als de politieke omstandigheden gunstig zijn, de presidentsverkiezingen in juni 1994 alsnog door laten gaan.

Maar hij waarschuwde gisteren tevens dat er nu nog steeds een communistisch-fascistisch gevaar bestaat in Rusland.

Met zijn opmerkingen in een vraaggesprek met de krant Izvestia creëerde Jeltsin opnieuw onzekerheid over zijn eigen aanblijven. In september, tijdens de laatste fase van zijn machtsstrijd met het Russische parlement, kondigde hij behalve vervroegde parlementsverkiezingen ook vervroegde presidentsverkiezingen aan. Nadat hij deze belofte enige keren had herhaald, zei hij tien dagen geleden dat hij zijn ambtstermijn toch wilde uitdienen. Hij zou zich daarna, in 1996, niet meer voor een tweede termijn beschikbaar stellen. De kort daarop gepubliceerde nieuwe Russische grondwet, waarover op 12 december een referendum wordt gehouden, bevat een overgangsbepaling waarin wordt gesteld dat de president zijn huidige termijn zal afmaken.

Maar gisteren zei Jeltsin tegen Izvestia: “Ik hoop dat u niet mijn decreet vergeten bent dat vervroegde presidentsverkiezingen uitschrijft voor 12 juni 1994. Zolang ik het niet heb geschrapt, is het nog steeds geldig.” Jeltsin zei dat ondanks de overgangsbepaling in de nieuwe grondwet, verkiezingen in juni nog steeds mogelijk zijn. “De president heeft altijd de mogelijkheid af te treden of een stemming over het vertrouwen in hem te organiseren.” Jeltsin erkende daarvoor zelf nu nog steeds niets te voelen, maar dat zou kunnen veranderen “als de politieke omstandigheden gunstig zouden zijn”.

In een kennelijke verwijzing naar wat hij 'ongunstig' acht, waarschuwde de president voor een machtsgreep van een rood-bruine coalitie. “In Rusland is het simpelweg onzinnig om de communistisch-fascistische dreiging te onderschatten”, aldus Jeltsin. “Zo lang als bolsjewisme en fascisme nog bestaan, dreigt het gevaar van een machtsgreep.” Desondanks wil hij de communistische partij niet verbieden deel te nemen aan de parlementsverkiezingen, want anders “zouden we niet verschillen van de bolsjewieken”.

In een zondagavond gepubliceerde opiniepeiling stonden de communisten overigens met 7 procent van de stemmen op de derde plaats, na de hervormingsgezinde partijen van vice-premier Jegor Gajdar (12 procent) en de radicale econoom Grigori Javlinski (8 procent). De belangrijkste extreem-nationalistische partij, die van Sergej Baboerin, mag niet aan de verkiezingen meedoen omdat zij niet het vereiste aantal van 100.000 handtekeningen zou hebben verzameld.