Het vermogensplaatje

Jaarlijks vervaardigt het Centraal Planbureau een vloedgolf zogeheten koopkrachtplaatjes'.

Die plaatjes zijn bedoeld om politici en andere belangstellenden een beeld te geven van de inkomensgevolgen van allerlei overheidsmaatregelen. Het eerste koopkrachtoverzicht dateert al van 1969. Het is raar, dat tot nu toe niemand in Den Haag aan het Planbureau heeft gevraagd om ook eens wat vermogensplaatjes te maken. Veel maatregelen van de overheid raken immers evenzeer de vermogenspositie als de koopkracht van de burgers. Zo heeft de regering een forse verruiming aangekondigd van de vrijstelling in de vermogensbelasting voor geld dat zelfstandigen in hun eigen zaak hebben gestoken. Doordat de fiscus zich met een kleiner brok van de bedrijfsresultaten tevreden stelt, stijgt de waarde van kleinere ondernemingen en familiebedrijven. Over zulke vermogensgevolgen van voorgenomen beleid praat het parlement zelden of nooit. Ze zijn wel belangrijk.

Het vermogen van alle Nederlanders samen bedraagt hoogstwaarschijnlijk een veelvoud van het nationaal inkomen (dit jaar vijfhonderd miljard gulden). Terwijl de verdeling van het nationaal inkomen veel aandacht krijgt, toont bijna niemand belangstelling voor de personele vermogensverdeling. Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert als enige instelling een vermogensverdeling. Die komt met enkele jaren vertraging beschikbaar, omdat zij is gebaseerd op anoniem gemaakte informatie van de belastingdienst. De fiscus weet iets van onze personele rijkdom, omdat hij van vermogenden jaarlijks vermogensbelasting heft. Elk jaar ontvangen driehonderdduizend huishoudens een aanslag vermogensbelasting. Tot iemands vermogen behoren in principe al zijn bezittingen, bijvoorbeeld een eigen huis, aandelen, spaartegoeden en het geld dat in de eigen zaak zit. Bij de berekening van het belastbare vermogen kunnen schulden uiteraard op de bezittingen in mindering worden gebracht.

Afgaande op de administratie van de fiscus bezat de rijkste vijf procent van de zes miljoen Nederlandse huishoudens op 1 januari 1990 netto in totaal 250 miljard gulden. Tot deze selecte groep van welgestelden behoren vijftigduizend mensen met netto een miljoen of meer. Over het vermogen van de overige 95 procent van de huishoudens is weinig bekend. Al die kleine vermogens blijven buiten beeld, omdat een echtpaar tot aan een netto vermogen van 125.000 gulden geen vermogensbelasting is verschuldigd (belastingvrije som). Het CBS schat dat de huishoudens die buiten de vermogensstatistiek blijven samen netto nog eens 250 miljard bezitten. Het nationale vermogen komt zo uit op vijfhonderd miljard. Per gezin bedraagt het netto vermogen dan ongeveer 85.000 gulden. De nationale rijkdom is echter heel ongelijk verdeeld. Een terugblik leert dat de vermogensongelijkheid binnen de groep van de meest vermogenden in de jaren tachtig nog is toegenomen. De oorzaak lag vermoedelijk bij de sterke stijging van de aandelenkoersen en het geleidelijke herstel van de prijzen van onroerende zaken.

De genoemde cijfers van het CBS onderschatten de nationale rijkdom evenwel aanzienlijk. Met zwart vermogen is geen rekening gehouden. Tot de zwarte vermogensbestanddelen behoren bijvoorbeeld contant geld, een jacht en buitenlands onroerend goed die een grote drugshandelaar niet in zijn belastingaangifte zal vermelden. Ook sommige oppassende burgers hebben een appeltje voor de dorst op een buitenlandse bankrekening geparkeerd. Afgezien van zulke fiscale fraude blijft meer dan duizend miljard aan ander persoonlijk vermogen buiten de vermogensstatistiek. Dit komt door enkele eigenaardigheden van de vermogensbelasting. In 1990 was bij pensioenfondsen en levensverzekeraars ruwweg 540 miljard gulden opgehoopt ter dekking van toekomstige pensioenuitkeringen. Van dit contractueel gespaarde vermogen van gezinnen is weinig of niets terug te vinden in de vermogensstatistiek, aangezien de waarde van pensioenaanspraken is vrijgesteld van vermogensbelasting. Alleen de vrijgestelde pensioengelden overtreffen dus al het totale door het CBS gemeten vermogen van gezinnen. Door fiscale vrijstellingen voor in de eigen zaak gestoken vermogen en voor kunstvoorwerpen blijft nog eens 65 miljard buiten beeld. Ook de waardebepaling van sommige vermogensbestanddelen leidt tot aanzienlijke onderschatting van personele vermogens. Veel bedrijven van zelfstandigen en aandelenpakketten in besloten vennootschappen worden veel te laag gewaardeerd. Volgens een ruwe schatting beloopt deze onderschatting driehonderd miljard gulden. Eigen woningen mogen voor de vermogensbelasting worden gewaardeerd op zestig procent van de werkelijke waarde. Dit leidt tot een onderschatting met honderd miljard gulden.

Met de nodige slagen om de arm valt het werkelijke netto vermogen van de Nederlandse huishoudens te becijferen op 1600 miljard gulden. Daarvan is slechts 250 miljard terug te vinden in de vermogensstatistiek van het CBS. Over slechts 150 miljard van het nationale vermogen betalen gezinnen daadwerkelijk vermogensbelasting. De rest van de nationale rijkdom wordt door de fiscus ongemoeid gelaten als gevolg van onderrapportage, omvangrijke vrijstellingen, soepele waarderingsregels en door de belastingvrije sommen. De statistici van het CBS weten hierdoor niet hoeveel zij missen. Volgend jaar komt hierin verandering. Dan publiceert het CBS een schatting van de integrale vermogensverdeling. Tot zolang blijft het nationale vermogensplaatje een zoekplaatje.