'EMS leidde tot monetaire perversiteit'

De ironische wendingen in de geschiedenis geven Sir Alan Walters een intens genoegen. “Dat maakt internationale monetaire economie zo leuk”, zegt de voormalige economische adviseur van Margaret (nu barones) Thatcher. Walters is één van de meest geslepen critici van het Europese Monetaire Stelsel (EMS). “Pervers beleid eindigt in tranen.”

Sir Alan houdt van absurdisme. Hij legt met chirurgische precisie het feilen van Europese politici in monetaire aangelegenheden bloot. “Politici trachten altijd hun gezicht te redden. Per vierkante centimeter is het gezicht van een politicus buitengewoon kostbaar. Vooral in Frankrijk. Het is het ongelooflijk duur geweest om het gezicht te redden van Balladur, Chirac, Mitterand en bovenal van Giscard d'Estaing.” Frankrijk moet zich volgens Walters onmiddellijk losmaken uit de ijzeren greep van het wisselkoersmechanisme van het Europese Monetaire Stelsel. Dat zal niet eenvoudig zijn, want Frankrijk had een politiek doel voor ogen toen Giscard en Bondskanselier Schmidt in 1979 het EMS ontwierpen. “Het doel van Frankrijk is altijd geweest om te streven naar 'symmetrie'. Dat woord betekent volgens mij dat de Fransen een greep willen krijgen op het Duitse monetaire beleid. Maar uiteindelijk zal Duitsland volledige controle over het Franse monetaire beleid uitoefenen.”

Al jaren verkondigt Walters (67), econoom uit de liberale 'Manchester-school' en adviseur van Thatcher in 1981-'83 en 1988-'89, de onhoudbaarheid van een stabiel, maar aanpasbaar wisselkoersstelsel zoals het EMS. Vroeg of laat zal het in stukken uiteen spatten, profeteerde hij begin jaren tachtig. Na de crises van september 1992 en augustus 1993 die het EMS hebben opgebroken, haalt hij triomfantelijk zijn gelijk binnen. Over het Britse beleid dat leidde tot 'zwarte woensdag' 16 september, de dag waarop het pond uit het wisselkoersmechanisme werd gedwongen, is hij vernietigend in zijn oordeel. “De Brits regering gedroeg zich zoals de Keystone cops uit de tijd van de stomme film. Ze struikelden over elkaar in paniek. Wijsheid was dun gezaaid. Uiteindelijk was het de juiste stap om het pond uit het EMS te halen. Het was onmogelijk om het verkeerd te doen: de reserves van de Bank of England waren uitgeput, het was duidelijk dat ze niet door konden gaan.”

Volgens Walters heeft een stelsel van vaste of van zwevende wisselkoersen de voorkeur boven het EMS. “Het EMS is stabiel maar aanpasbaar. Dat zijn tegenstrijdige begrippen”, zegt hij. Een vaste koers is volgens hem wenselijk in het geval van kleinere landen. “De gulden heeft een onveranderlijke koers ten opzichte van de D-mark. Voor Nederland is dat uitstekend. Maar voor Groot-Brittannië niet. Voor het pond is een zwevende koers het beste, omdat dan een eigen monetair beleid gevoerd kan worden.”

De kritiek van Walters op het EMS staat bekend als het 'Walters-dilemma'. Als een zwakke munt (zoals het pond, of de peseta) deelneemt aan het EMS, moet er een hoge rente geboden worden om de koers op peil te houden ten opzichte van de ankermunt (de D-mark). Dat maakt de zwakke munt een aantrekkelijke belegging: de rente is hoog, de koers gegarandeerd. Daarom stroomt het kapitaal toe. Het gevolg van die vraag naar een zwakke munt is een opwaardering van de koers en een daling van de rente. “Dat is monetaire perversiteit. Absurd”, zegt Walters.

Dit verschijnsel deed zich in het EMS in de tweede helft van de jaren tachtig op grote schaal voor, temeer toen in de aanloop naar het Verdrag van Maastricht om politieke redenen de indruk werd verspreid dat het EMS zonder aanpassingen zou overgaan in de Economische en Monetarie Unie van één munt. De zwakste valuta in het EMS - de peseta, de lire, het pond - hadden een enorme aantrekkingskracht en raakten steeds meer overgewaardeerd. De rente op deze munten bleef weliswaar hoger dan op de D-mark, maar lager dan noodzakelijk was om de inflatie te bestrijden. Dat leidde tot een 'monetaire bonanza', zoals Walters het noemt. Vroeg of laat waren koerscorrecties onvermijdelijk en zodra de financiële markten die zagen aankomen, trokken ze hun kortlopende beleggingen terug zodat de zwakke munten onder onhoudbare druk kwamen te staan.

Pag.14: Schaduw-koppeling aan mark 'leidde tot ramp'

Walters vat zijn kritiek op het EMS in drie punten samen. Het leidt tot 'pervers monetair beleid' dat haaks staat op binnenlandse prioriteiten. Het beperkt de inzet van het rente-instrument. Het versterkt de conjuncturele uitschieters van de economie. “En het eindigt in tranen”, voegt hij er sarcastisch aan toe.

Nadat Walters twee jaar fungeerde als tamelijk onopgemerkt economisch adviseur van Thatcher, vertrok hij in 1983 naar de Verenigde Staten. Zijn invloed op de premier bleef evenwel groot en hij onderhield een rechtstreekse lijn met Downing Street 10. In 1985 slaagde Walters er in om Thatcher te overtuigen het pond buiten het wisselkoersmechanisme van het EMS te houden. Minister van financiën Nigel Lawson had de bezwaren op zijn eigen ministerie en bij de Bank of England overwonnen, maar stuitte op een veto van Thatcher.

Lawson hanteerde een praktisch uitgangspunt: als Duitsland een geloofwaardig anti-inflatiebeleid voert, dan is het verstandig dat de overige EG-landen hun munt aan de D-mark koppelen. Bovendien stond eind 1984 het pond onder druk door de stijgende koers van de dollar. Zelfs Thatchers vertrouwen in zwevende wisselkoersen werd door het wilde Amerikaanse dollarbeleid van die jaren aangetast.

Kort nadat de Verenigde Staten, september 1985, hun beleid hadden omgegooid en kozen voor een gestuurde daling van de dollar, lanceerde Lawson het voorstel om het pond formeel in het wisselkoersmechanisme van het ESM te brengen. Hij hoopte daarmee stabilisatie van het pond te bereiken en vertrouwen in de financiële markten te winnen zodat de Britse rente zou kunnen dalen. Maar Thatcher, met Walters als souffleur, hield het tegen omdat ze vreesde dat het pond met renteverhogingen op koers gehouden zou moeten worden ten opzichte van de D-mark. En renteverhogingen zouden toekomstige verkiezingskansen van de Conservatieven kunnen schaden. “Als je aansluiting zoekt bij het EMS, zul je zonder mij verder moeten”, waarschuwde Thatcher haar minister van financiën.*

Na deze mislukking werd het Britse monetaire beleid speelbal van politieke rivaliteit binnen de Conservatieve partij en inzet van de verscheurdheid onder de Tories over de te volgen Europa-politiek. Lawson liet het pond vanaf februari 1987 de D-mark 'schaduwen'. Door informeel aan het anker van het EMS te gaan hangen, wilde Lawson de Britse inflatie terugdringen, zonder verwijten te krijgen over formele deelname van het pond aan het EMS.

“Dit beleid veroorzaakte natuurlijk een ramp”, zegt Walters. “De schaduw-koppeling aan de D-mark leidde tot een enorme instroom van kapitaal. Dus gebeurden er twee dingen: het pond kwam onder opwaartse druk te staan en de rente ging naar beneden. Precies zoals ik voorspeld had. Het gevolg was de inflatie die in 1989 in volle omvang aan de oppervlakte kwam. We kregen een stijging van financiële waarden, de huizenprijzen schoten door het dak.”

In 1988 was Walters als adviseur van Thatcher terug naar Londen gekomen. Terwijl in de de rest van de EG het debat over de Economische en Monetaire Unie (EMU) begon, dreigde Groot-Brittannië aan de zijlijn te blijven staan. Gesteund door minister van buitenlandse zaken Howe was Lawson tot de conclusie gekomen dat Groot-Brittannië zich buiten de discussie over de monetaire toekomst van Europa zou plaatsen als werd volhard in de weigering van Thatcher zelfs maar over deelname van het pond aan het wisselkoersmechanisme na te denken. Vlak voor de EG-top in Madrid, zomer 1989, waar de EG-leiders een besluit over het tempo van de monetaire unie zouden nemen, stelden Lawson en Howe aan Thatcher voor om toe te zeggen dat het pond uiterlijk eind 1992 zou deelnemen aan het wisselkoersmechanisme. Thatcher was razend.

De druk om het pond in het wisselkoersmechanisme te brengen was volgens Walters politiek bepaald. “Het had minder met het EMS te maken dan met persoonlijke rivaliteit binnen de Conservatieve partij”, zegt hij. Niettemin kwam de premier met een nota op waarin nieuwe voorwaarden voor Britse toetreding waren neergelegd. “De hand van Walters was duidelijk zichtbaar”, schrijft Lawson in zijn memoires. In Madrid sloeg Thatcher onverwachts een verzoenende toon aan en de voorwaarden die ze op tafel legde, werden geinterpreteerd als een politieke ommezwaai van de premier. “We hadden onze positie helemaal niet veranderd, we hadden voorwaarden gesteld waaraan nog lang niet voldaan was”, aldus Walters.

Na die zomer van monetaire tweespalt vloeide politiek bloed in Engeland. Kort na de top in Madrid ontsloeg Thatcher haar trouwste minister, Geoffrey Howe. De Britse media etaleerden breeduit de meningsverschillen tussen Lawson en Walters. Terwijl Walters lekte dat sturing van de wisselkoers een pact met het kwaad was en dat het pond vrij was om zijn eigen koers te vinden, trachtte Lawson de voortdurende afkalving van de waarde van het pond tegen te gaan. Daarvoor was hij bereid de rente te verhogen, ook als dat politiek slecht uitkwam. Walters, schrijft Lawson in zijn memoires, was tegen renteverhogingen om het pond op koers te houden.

De ruzie bereikte zijn hoogtepunt in oktober 1989, toen het pond na een onverwacht grote Duitse renteverhoging onder druk kwam te staan. Lawson eiste dat Thatcher haar economische adviseur zou ontslaan; de premier weigerde te kiezen tussen haar adviseur en haar minister. Lawson trok zijn conclusie. Op 26 oktober 1989 diende hij zijn ontslag in en terwijl het pond kelderde, nam Walters nog diezelfde middag eveneens zijn ontslag. Thatcher was nu beide vertrouwelingen kwijt.

Een jaar later was de positie van Thatcher zozeer verzwakt dat John Major, de opvolger van Lawson als minister van financien, de toetreding van het pond tot het wisselkoersmechanisme in oktober 1990 doordrukte. Het werd gevierd als een overwinning, maar - zoals oud-president van de Bundesbank Karl-Otto Pöhl indertijd opmerkte - het was het verkeerde moment en het was op de verkeerde koers. Mrs. Thatcher besloot eenzijdig dat het pond op een spilkoers van DM 2,85 tot het wisselkoersmechanisme zou toetreden. Dat was een overschatting van de kracht van het pond en ook van de Britse economie, want die was inmiddels in een flinke recessie terecht gekomen.

De monetaire verkrapping die in 1989 was ingezet om de verruimende effecten van de periode waarin de de D-mark werd geschaduwd te neutraliseren, begon juist effect te hebben. In 1990 dook de Britse economie dook in een recessie; de inflatie daalde. Maar door de toetreding tot het wisselkoersmechanisme moest Engeland de rente hoog houden, temeer omdat Duitsland bezig was de rente te verhogen ter beteugeling van de effecten van de eenwording. “Het beloofde een ruwe rit te worden en dat werd het ook”, merkt Walters op.

Dat het pond op een te hoge koers in het wisselkoersmechanisme stapte, was volgens Walters niet de oorzaak van alle volgende ellende. Ernstiger is dat binnen het EMS devaluaties op grote problemen stuiten. “Probeer dat maar eens te doen!” roept hij. “Als de markt gelooft dat je gaat devalueren, komen de speculanten daar op af als bijen op een honingpot. Want bij een devaluatie valt veel geld te verdienen, dat zijn heel lucratieve weekeinden waarin de ministers van financiën bij elkaar komen om over een devaluatie te onderhandelen. De speculanten plunderen de schatkisten van de centrale banken in een kwestie van minuten. Dergelijke onderhandelingen over aanpassingen kunnen dus eigenlijk niet plaats vinden. Daarom zijn de koersen in het EMS sinds 1987 ook niet meer aangepast.”

Walters verwerpt het standpunt dat de Britse regering september 1992 met een devaluatie het pond in het EMS had kunnen houden. “De speculanten zouden zich in hun handen hebben gewreven en hebben vastgesteld dat het de eerste stap was. Ze zouden onverminderd doorgaan met hun aanval. Dat is met Spanje gebeurd, de peseta is drie keer gedevalueerd. Alleen een devaluatie met pakweg dertig procent had geholpen, maar daarmee zou niemand hebben ingestemd. Dus de enige juiste oplossing is binnen het EMS onmogelijk.”

Uiteindelijk, zegt Walters, was het een 'godsgeschenk' dat het pond uit het wisselkoersmechanisme werd gedreven. “Het was een geweldige vermogensoverdracht van de belastingbetalers, via de Bank of England, aan speculanten en beleggingsfondsen.” Groot-Brittannië heeft gewonnen, meent hij. “Toen het pond uit het EMS ging, kregen we ruimte de rente te verlagen. De Britse economie is de enige in Europa die groeit. De rest is ziek. Frankrijk heeft het meest te lijden van het absurde beleid om vast te houden aan het EMS. Men beweerde dat in Frankrijk de inflatie beter was dan in Duitsland, dat de franc de juiste koers had. Toch werd de franc zwaar onder vuur genomen. Interessant, vindt U niet?”

De Bundesbank, vorig jaar september in de Engelse politiek en pers veelvuldig afgeschilderd als de boeman, treft volgens Walters geen blaam. “Ze zeiden wat ze gingen doen en ze deden wat ze zeiden wat ze gingen doen. Daar is niets op aan te merken”, zegt hij. Ook de 'speculanten' - in Frankrijk populair als zondebok - neemt hij tegen kritiek in bescherming. “Ze hebben een fantastische klus geklaard, ze hebben Engeland gered. We moeten een dronk op ze uitbrengen. Waarbij zij wel voor de champagne kunnen betalen.”

Hoewel het EMS na de crisis van augustus min of meer buiten werking is gesteld, verwacht Sir Alan dat een poging wordt ondernomen om het EMS tot nieuw leven te wekken. “Daarvoor is geen enkele economische reden, het is een kwestie van politiek. In dat Nederlandse stadje Maastricht is heel veel politiek geloof geïnvesteerd.” Het einddoel van Maastricht, één Europese munt en een Europese centrale bank, zal er evenwel nooit komen, verzekert hij. “Anders gezegd: als er één munt in Europa komt en als er één centrale bank komt, dan is dat de D-mark en dan is dat de Bundesbank, met een aantal landen die zich daarbij aansluiten. Dat is economisch heel goed mogelijk. Maar dat is politiek niet haalbaar.”

*Nigel Lawson: The view from No. 11, Memoirs of a Tory radical