De Vlaamse vitaliteit

Maatstaf 10+11+12, Vlaams nummer. 246 blz.ƒ45.

Een driedubbel nummer over 'de vitaliteit van de Vlaamse literatuur', dat is verdacht. Een écht vitale literatuur heeft zoiets niet nodig, zou je denken. Terwijl de Vlaamse letteren bloeien zoals ze lang niet gedaan hebben. En dan nog wel driedubbel, een unicum, om een open deur in te trappen? Laten we het erop houden dat 'Vlaams nummer' te gewoontjes leek. Dit driedubbele nummer is dan een chapeau!, hoedje af voor de Vlamingen.

Volgens redacteur Martin Ros is dit themanummer eenvoudigweg uit zijn krachten gegroeid door de 'ritselende en tintelende schrijflust' van de aangezochte Vlaamse auteurs. Inderdaad blijkt ook de Nederlandse Vereniging van Letterkundigen geschrokken te zijn van die onbeteugelde schrijflust, waardoor sinds een recent EG-verdrag veel kostbare subsidiegelden ons land uit vloeien naar Vlaamse collega's. Als zelfs een ervaren tijdschrift-tijger als Ros in de war wordt gebracht door een overstelpende hoeveelheid kopij (het eerdere nr. 9 verschijnt straks pas) moet er toch iets bijzonders aan de hand zijn.

Bijna veertig Vlamingen deden mee. En Wim Zaal, met een accurate en dus pijnlijke analyse: “Waarom is de verhouding tussen interessante schrijvers uit Nederland en Vlaanderen niet twee op één, als het inwonertal? Waarom stokken veel Vlamingen in hun ontwikkeling, zakken ze weg in krullendraaierij? Aanbod is er genoeg, talent niet minder dan elders, en desondanks haalt de literatuur in Vlaanderen niet het peil van het noorden.” Zaals feiten en verklaringen snijden hout, en de Nederlander wordt daarbij niet gespaard.

On-Maatstaf maar heel leuk zijn de paginagrote foto's die voorafgaan aan een deel van de bijdragen. Wat de verhoudingen aangaat: tientallen dichters, elf essayisten, slechts zes verhalenschrijvers en drie 'diversen'. Waarmee het vooroordeel dat iedere Vlaming het liefste verzen schrijven wil (en dat op zondag ook doet, is dan de standaard schimpscheut) onderschreven wordt. Maar is de Vlaamse poëzie nu ondergeschikt aan de Nederlandse? Goed, er zijn missers zoals in 'Zomer' van Ivo van Strijtem ('wat zijn de vrouwen toch weer / mooi gelukt dit jaar'), maar daar is Miriam Van Hee, Pol Hoste, Erik Spinoy, Luuk Gruwez, Koen Stassijns, en Christine D'haen, en de in zekere zin overeenstemmende Leonard Nolens en Herman de Coninck (resp.) 'Ik kan het huis niet uit. Ik woon hier overal / Waar lijkepikkers in mijn moeder binnendringen. / Ik ben de zonen en de dochters van een stal / Vol stront in Bethlehem. Maar Jezus hoor ik zingen' en 'Mijn moeder was weer de oude. / Haar dood had ik al een paar keer gehad, / haar leven moest ik hier nog krijgen. / En mezelf wou ik kwijt, maar moest ik houden'.

Maatstafs driedubbelnummer over de vitaliteit van de Vlaamse literatuur is niet onaardig geworden, maar met de aanschaf ineens van drie verschillende Vlaamse tijdschriften - het NWT, de DW&B, Yang of De Brakke Hond - bereikt de geïnteresseerde lezer eenzelfde en oorspronkelijker effect.

    • Margot Engelen