De kunst van razend makende rijst

Rijst is het - niet op zilveren schalen, maar op de vloer van de Tate Gallery, het museum voor moderne kunst aan de Noordoever van de Theems. Zeven ton, in voren geschikt en - parallel met de voor - in strepen neon rozerood verlicht. Het geurt en het is een kunstwerk: een van de vier kandidaatstukken voor de Turner Prize - en het maakt mensen razend.

Het rijstwerk is gemaakt door Vong Phaophanit, een 32-jarige Laotiaan, opgegroeid in Frankrijk. Hij noemt het Neon Rice Field. En hij zegt dat zijn werk er niet primair is om begrepen te worden.

“Stilte is het enige woord dat ik heb gevonden dat het goed uitdrukt... stilte heeft met de ogen te maken, de blik; de blik kan woorden doen verstommen.”

Om voor de Turner Prize in aanmerking te komen, moet een kunstenaar jonger dan 50 jaar zijn en het afgelopen jaar in Groot Brittannië geëxposeerd hebben. Phaophanit leverde bij de Tate zijn rijstproject in als voorbeeld van zijn werk en toen de expositie vorige week openging, was het meteen raak. De 'Is dit kunst?'-discussie werd op de voorpagina's van een aantal kranten meteen verheven tot het niveau voedsel-voor-de-armen-is-beter. “Deze hoop rijst van zeven ton zou 10.000 mensen tot maaltijd kunnen dienen. Maar is het kunst?” En dezelfde dag nog gooide iemand iets vies in het rijstveld, zodat de deuren van dit museumgedeelte tijdelijk moesten worden gesloten.

Toch zou Londen zo langzamerhand gewend moeten zijn aan provocerende kunstenaars en hun werken. De laatste drie jaar heeft een golf van aandachtzoekers te zien gegeven: één beeldhouwde zijn hoofd van eigen bloed en meel en was weken in het nieuws. Anderen gebruikten maden, rottend vlees, gebakken eieren, afgewerkte olie, darmen, stomazakjes en/of kebabs om de wereld met hun 'transgressieve' projecten te confronteren. Dit is het soort kunst - ik schrijf hier The Independent van vorige week over - dat de Amerikaan Claus Oldenburg tot de uitspraak bracht dat kunst voor iets anders dient dan alleen om op haar kont in een museum te hangen.

Kan het grote publiek nog verkiezen de Tate gewoon links te laten liggen en zich dus ook niet te ergeren, anders is het met dat project van een andere kandidaat voor de Turner Prize, Rachel Whiteread. Haar 'House', een binnenstebuiten gekeerde betonafdruk van het interieur van een huis van drie verdiepingen in Oost-Londen, staat op de hoek van Grove Road en Roman Road in het East End. Muren, schoorsteenmantels, plinten, lichtknopjes: alles zit aan de witgemaakte buitenkant. De (verre) buren ergeren zich dood. Mannen leunen over het hek en schudden het hoofd. En 's nachts komen er vandalen, met spuitbussen, die 'Woningwetwoningen voor iedereen - zwart en wit' op het project spuiten, want de wijk Tower Hamlets, waar net de racistische British National Party een gemeenteraadszetel heeft gekregen, is hier vlakbij en huizen om in te wonen zijn er nog lang niet genoeg.

Whiteread werd in 1991 ontdekt door Charles Saatchi, de helft van de reclame-Saatchi-broers, die een van de belangrijkste verzamelaars van hedendaagse kunst in Groot-Brittannië is. Daarmee was haar naam gevestigd. Die eer is Vong Phaophanit nog niet te beurt gevallen. Misschien dat rijst - een materiaal dat volgens de kunstenaar niets met zijn Laotiaanse afkomst heeft te maken - zich moeilijker laat verzamelen. De Tate zelf is overigens glashelder in haar uitleg over wat installatiekunst is: “Kunstwerken die een of alle delen van een ruimte innemen, binnen of buiten, en die gemaakt mogen zijn van elk materiaal, natuurlijk of door mensenhand gemaakt, dat de kunstenaar voor zijn doel geschikt acht.”

(Bekendmaking winnaar Turner Prize-competition: 23 november)

    • Hieke Jippes