Beleid-smakers Haags onderzoekscircuit krijgen te veel eer

Voordat ik vijf jaar geleden Nederland verliet bestond er reeds een brede neologie rondom het toverwoord 'beleid'. Mijn toenmalige positie als contractonderzoeker in de para-universitaire sfeer bracht met zich mee dat ik een van de meer intensieve gebruikers van dit toverwoord en zijn derivaten, alfabetisch-lexicografisch te ordenen van 'aardbeienbeleid' tot 'zwembeleid', was. Wij werden geacht 'beleidsvragen' in onderzoeksvragen te vertalen en aan onderzoeksuitkomsten 'beleidsconclusies' te verbinden. In kleine kring maakten we zowel scherpe opmerkingen over deze puur Nederlandse neologie (er zijn in andere talen nauwelijks equivalenten voor te vinden), als grappen. Dit laatste bijvoorbeeld, als de tekstverwerker het woord 'beleidsmaker' aan het einde van een regel afkortte als 'beleid-smaker'. Zoiets lieten we, uit tijdgebrek of gebrek aan aandacht, bij voorkeur zo staan, want men moet toch een bijzondere smaak hebben om beleid te kunnen maken.

Bij terugkomst in Nederland, twee maanden geleden, dacht ik aanvankelijk dat er weinig veranderd was. 'Beleid' en alles wat daarmee in de taal, in Den Haag en de onderzoeksinstituten samenhangt, leek nog steeds even belangrijk en onbelangrijk als vijf jaar geleden. Het leek nog steeds even onvertaalbaar en de verdere penetratie van tekstverwerkers vergrootte de kans op een of meer beleid-smakers aan het einde van de regels van een tekst in het Haagse en het onderzoekscircuit.

Tot A.C 't Hart, hoogleraar strafrecht in Leiden, afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad liet zien dat we het denken van de beleid-smakers op zijn diepere betekenis moeten analyseren en interpreteren. Een deconstruerende analyse van de begroting van Justitie leidt, zoals vele andere deconstruerende analyses van tekst, tot de onthutsende ontdekking dat schrijvers van belangrijke overheidsdocumenten niet alleen de smaak te pakken hebben, maar ook een totalitair complex vertegenwoordigen en aan ons opleggen. Hier helpen zelfs scherpe opmerkingen en grappen niet meer; hier werken slechts kaak en schandpaal, of de tegen-mobilisatie van de monddood gemaakte bevolking dan wel, als die het zoals gewoonlijk laat afweten, de opstand van tot stereotypen gereduceerde objecten van strafvervolging en de idem gereduceerde mensen die zich inzetten voor penitentiaire goede werken.

Wat mij stoort in 't Harts artikel is niet dat hij zich opwindt over 'valse' ideologieën (zó wordt doorgaans het Duitse woord 'falsch' foutief vertaald in de Nederlandse ideologie- en tekstkritiek) van de minister van justitie en zijn (hogere) ambtenaren, daarin kan hij gelijk hebben, zoals hij ook gelijk kan hebben als hij pleit voor een humanitair strafrecht en een humanitaire behandeling van gestraften. Wat mij stoort is dat hij, met een beroep op een niet-strafrechtelijk begrippenapparaat rond imago's en stereotypen, de desbetreffende tekst karakteriseert als zijnde totalitair. Daarmee doet hij de tekst te veel eer aan, zou ik willen zeggen en vervlakt hij de betekenis van het begrip totalitair. Had hij de tekst van de beleid-smakers gekarakteriseerd als zijnde bij voorbeeld getuigend van een grote mate van arrogantie, dan was mijn probleem er niet geweest. Met zo'n karakterisering zou hij hebben aangegeven dat de bedoeling van de schrijver(s) wellicht totalitair of autoritair is en weinig ruimte laat voor tegenspraak en andere meningen, maar het effect zou open geweest zijn. Men kan zich door een arrogante persoon (in oud studentikoos taalgebruik 'bal') laten imponeren en zich voegen naar zijn luimen, maar men kan ook de schouders ophalen, het gedoe afdoen met een Wiener Schmäh, of als goede tribuun het volk winnen voor andere en betere gedachten in de daartoe bestaande demokratische rechtsorde. De karakterisering in termen van 'totalitair' ontkent echter deze mogelijkheid: aan de schrijver(s) kent men veel meer macht toe dan zij bezitten en hun tekst maakt men veel belangrijker dan ze is, tenzij men ervan uitgaat dat dezelfde schrijver(s) hun ideeën met een breed front van parlementaire en publicitaire manipulatie kunnen ondersteunen of naar willekeur geweld tegen burgers, strafrechtplegers en strafrechtelijk vervolgden kunnen inzetten. Tenzij natuurlijk tijdens mijn afwezigheid het begrip 'totalitair' hier al zo vervlakt is dat het iets anders beschrijft dan wat ik tijdens mijn afwezigheid zo goed en zo kwaad als het ging bestudeerd heb: totalitaire systemen en ideologieën in het communistische en post-communistische Oost Europa.

Ter wille van dit soort studies zou ik ervoor willen pleiten het begrip 'totalitair' niet te vervlakken en alleen toe te passen op die verstrengeling van systemen en ideologieën waarbij een kleine leidende elite zijn voornemens daadwerkelijk kan ondersteunen met manipulatie zonder weerwoord en naar willekeur geweld kan gebruiken tegen politieke tegenstanders of etnische 'minderheden'.

    • George Muskens