Belastingfraude en mensenrechten

De fiscale praktijk worstelt nog steeds met het uit 1985 stammende oordeel van de Hoge Raad dat de mensenrechten onverkort van toepassing zijn op belastingfraudeurs. De mensenrechten zijn gewaarborgd in twee verdragen, op mondiaal en Europees niveau. Het Europese mensenrechtenverdrag biedt de Nederlanders sinds 1954 bescherming. Mocht een nationale wet in strijd komen met het verdrag, dan geldt het verdrag. Met een stoere nonchalance heeft de regering steeds verklaard dat onze wetgeving royaal binnen de perken van de mensenrechten moet blijven. We zijn per slot van rekening geen bananenrepubliek.

Het was daarom schrikken toen de Hoge Raad uitmaakte dat de geldboetes die de belastinginspecteur uitdeelt, moeten voldoen aan de waarborgen die de verdragen aan burgers bieden. Al op het eerste gezicht was duidelijk dat onze belastingwetgeving niet de waarborgen biedt die we bij een gewone strafvervolging vanzelfsprekend achten. De belastingheffing is op massaliteit ingesteld: naast honderdduizenden bescheiden boetes leggen de belastinginspecteurs jaarlijks ruim 50.000 zware boetes op. Alles bijeen tot een bedrag van ongeveer 250 miljoen gulden.

Vanwege strijd met de mensenrechten zijn voor miljoenen guldens aan opgelegde boetes onrechtmatig verklaard. Meteen na het verrassende oordeel van de Hoge Raad heeft de Tweede Kamer er op aangedrongen dat onze belastingwetgeving in overeenstemming met de internationale normen zou worden gebracht. Het lukte de regering maar niet om een goed voorstel op tafel te leggen. Steeds weer was de Kamer ontevreden. Kort geleden is een al lang geleden aangekondigd wetsvoorstel ingediend dat op de belangrijkste punten wel op een gunstig onthaal in het parlement kan rekenen.

De fiscalist Feteris in Amsterdam verdedigde onlangs zijn proefschrift waaruit blijkt dat zelfs als de aangekondigde maatregelen zijn ingevoerd, de Nederlandse belastingwetgeving nog steeds niet deugt. Aan het slot van zijn 800 pagina's tellende studie somt hij dertig onderwerpen op waar aanpassing van onze fiscale wetgeving aan de mensenrechten nodig of wenselijk blijft. Zijn belangrijkste conclusie is dat er serieus rekening mee moet worden gehouden dat de Europese rechter het op zekere dag onrechtmatig zal verklaren dat in Nederland belastinginspecteurs en niet rechters zware fiscale boetes opleggen. Volgens Feteris bestaat er een behoorlijke kans dat de fiscus ook nog eens de zware boetes die in de voorafgaande vijf jaar zijn opgelegd, aan de fraudeurs terug zal moeten terugbetalen.

De regering doet er zijns inziens verstandig aan de schade te beperken door nu alvast nieuwe wetgeving in te voeren. Daarin moet de bestraffing van de zwaardere fraudeurs in handen van een rechter worden gegeven; net zoals dat bij bijvoorbeeld inbrekers gebeurt. De grens voor zwaardere fraude kan liggen bij een fraudebedrag van bijvoorbeeld 25.000 gulden. Zelfs bij een snelle aanpassing van de wetgeving zullen verscheidene alerte fraudeurs te zijner tijd de dans nog ontspringen, maar de schade blijft beperkt.

Met realiteitszin houdt Feteris er rekening mee dat de regering dit advies niet ter harte neemt. Voor dat geval stelt hij een soort fiscaal Deltaplan voor. Dat moet een alternatief stelsel van fiscale rechtspraak bevatten dat meteen wordt ingevoerd als de Europese rechters het voorziene vonnis hebben gewezen. Zo blijft de periode waarin zware belastingfraudeurs vrijwel straffeloos kunnen rondlopen nog enigszins beperkt. De door oud-minister van Financien prof. Hofstra geopperde gedachte om de twee mensenrechtenverdragen aan te passen, wijst de promovendus af. Voor aanpassing van het mondiaal werkende verdrag is instemming van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nodig. De promovendus vindt die medewerking niet alleen onwaarschijnlijk, hij acht het ook onwenselijk dat een staat fundamentele mensenrechten opzij schuift zodra een van die rechten hem niet meer zo goed uitkomt.

Overigens betreft de kritiek van Feteris ook alledaagse zaken als de parkeerbelasting. Wie bij een parkeermeter een bon krijgt, betaalt naast enkele guldens parkeergeld doorgaans meer dan vijftig gulden 'kosten'. De wetgever heeft er geen geheim van gemaakt dat onder die noemer feitelijk een boete schuil gaat. Die voldoet niet aan de minimale waarborgen bij strafoplegging. Het onder de ruitewisser steken van een bonnetje is een onvoldoende trefzekere manier om een boete aan te kondigen. Bovendien mist de rechter de mogelijkheden om de boete aan de ernst van de situatie aan te passen. Volgens Feteris is de kostenopslag in de parkeerbelasting en de kostenberekening van een wielklem evenals bij het wegslepen van de auto onrechtmatig. Het wachten is op de eerste foutparkeerder die daarvoor met een beroep op het Europese mensenrechtenverdrag een proefproces aanspant.

    • Aertjan Grotenhuis