Angolese stad Cuito heeft zelfs geen adem voor wanhoop

Hoeveel mensen moeten er creperen voor de internationale gemeenschap iets doet? Dat vraagt directeur J. de Milliano van Artsen zonder Grenzen zich af. In de Angolese stad Cuito, oorspronkelijk een stad met 150.000 inwoners, stierven de afgelopen tien maanden 20.000 mensen door honger, ziekte en geweld. De overgebleven 20.000 bewoners zitten gevangen in de stad, met mijnenvelden als medogenloze wachters. Artsen zonder Grenzen profiteert van een adempauze in de burgeroorlog om de bewoners de meest noodzakelijke hulp te bieden. De Milliano reisde naar Cuito om de situatie in ogenschouw te nemen.

“In Cuito heb je de doden en de overlevenden. Als je met de overlevenden praat lijkt het alsof ze zelfs geen energie meer kunnen opbrengen om te wanhopen. Ze zijn teruggekeerd uit de hel en verkennen de rust die er nu is, maar eigenlijk kunnen ze het nog niet geloven.”

Er waren uitgebreide onderhandelingen met de verzetsbeweging UNITA nodig voor Artsen zonder Grenzen toegang kreeg tot Cuito. UNITA werd in januari door het regerende MPLA uit de stad verdreven, begon een belegering en hield de stad maandenlang hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Inmiddels heeft de beweging tweederde deel van de stad heroverd. In de paar straten die nog in handen zijn van de regering woont echter het grootste deel van de 20.000 overlevenden. Vorige maand bracht voor hen voor het eerst wat verlichting: UNITA stond voedseltransporten toe onder de voorwaarde dat haar manschappen hiervan konden meeëten. Twee weken geleden mocht ook Artsen zonder Grenzen de stad betreden.

Het machtsevenwicht dat deze hulp mogelijk maakt is uiterst precair. De Milliano: “De partijen zitten op elkaars lip, er hoeft maar iets te gebeuren of de strijd brandt weer los. Er is één straat waarbij de linkerkant regering is en de rechterkant UNITA. Op de kruispunten zijn touwtjes gespannen om de scheidslijn te markeren.” De hulporganisatie moet binnen dit evenwicht manoeuvreren. Zo werd werken in Cuito alleen toegestaan door UNITA als Artsen zonder Grenzen ook hulp zou bieden in Huambo, een bolwerk van de beweging dat de afgelopen maanden zwaar is gebombardeerd door regeringsvliegtuigen.

De Milliano was geschokt door de vernietiging die hij in Cuito aantrof. De schade aan de gebouwen was geen kwestie van hier en daar wat kogelgaten, maar van hier en daar een muur die nog overeind stond. Desondanks trof hij mensen aan die nog niet alle hoop hadden verloren. “We zijn de burelen van een voormalig transportbedrijf, dat redelijk intact was, aan het herstellen en verbouwen om er een operatieruimte in te richten. Toen we daarmee begonnen hadden we binnen de kortste tijd twintig, dertig vrijwilligers die dag en nacht meehielpen.” Zoveel inzet in zo'n uitzichtloze situatie is volgens De Milliano alleen mogelijk als mensen niet stil blijven staan bij de gruwelijkheden die ze hebben meegemaakt, een houding die hij bij verscheidene mensen aantrof. “Ik vroeg een man hoe hij de tussenliggende maanden had doorgemaakt. Hij bracht me naar de garage bij zijn huis. Daar zat een put in de grond met een heuvel zand ernaast. In die put had hij weken, maanden doorgebracht met zijn vrouw en twee kinderen. Toen vertelde hij dat een van de kinderen was overleden door een bominslag in het huis. 'Maar het geeft niet', liet hij erop volgen. 'Ik kan er niet bij stil blijven staan. We moeten verder.' Ik denk dat een grote groep mensen zo overleeft. Als ze tot zich door laten dringen wat er gebeurt gaan ze kapot. Ze schuiven het op naar later.”De medische voorzieningen in Cuito stelden niets meer voor, maar die voor de militairen waren nog net iets beter dat voor burgers. “Het 'burgerziekenhuis' bestond uit een paar kamers in wat halfverwoeste huizen waar mensen heengebracht werden om te liggen. Er was geen verzorging, geen medicijnen, geen elektriciteit, geen stromend water. Het was eigenlijk meer een lijkenhuis dan een ziekenhuis. Veel van de patiënten waren op een mijn gelopen. Eén vrouw had gangreen en die hadden ze in een klein hokje gelegd met de deur dicht. Anders stonk het zo.” In een militair hospitaaltje in een oud schoolgebouw was wel enig medisch personeel en werden pillen uitgedeeld.

De Milliano vindt dit tekenend voor de hele burgeroorlog in Angola. “Het is geen strijd meer tussen legers, de kanonnen worden gewoon op de burgerbevolking gericht. Cuito is meermalen gebombardeerd door zowel UNITA als de MPLA. Het uitgangspunt lijkt te zijn: Hoe meer ellende, hoe groter de kans op inname van de stad. Iets anders kan ik niet bedenken. De bevolking wordt op allerlei manier het zwaarst getroffen: zij is vaker het doelwit, is kwetsbaarder en krijgt de minste verzorging.” Ieder respect voor de mensenrechten lijkt te zijn verdwenen. “In de Koude Oorlog, toen de partijen door de supermachten van wapens werden voorzien, kwam van die kant nog enige druk om de mensenrechten te respecteren. Dat is nu afgelopen, en de burgers zijn het slachtoffer.”

Er bleken ook nog buitenlanders in Cuito te verblijven. In een hotel waarvan de begane grond nog bruikbaar was trof De Milliano 126 Zaïrezen aan. Het waren passanten die in januari in de stad gestrand waren. “Oorspronkelijk waren ze met 180. Ze hadden lijsten bijgehouden van wat er met de rest gebeurd was. Dertig hadden een vluchtpoging ondernomen - over hun lot was niets bekend. De overige 24 waren dood. Op de lijst zag je dan staan: 'ging eten zoeken en werd getroffen door een granaatscherf' of 'kreeg diarree, werd ziek, ging dood' of 'gestorven van de honger'.” Volgens De Milliano geeft dit ook een beeld van wat er met de Angolese stedelingen is gebeurd. “Daarnaast verleent het geloofwaardigheid aan de schatting van 20.000 doden op een oorspronkelijke bevolking van 150.000. 24 doden op een groep van 180 is ook ongeveer zeven procent.”

De Zaïrezen konden Cuito nog steeds niet uit. Een groep Portugezen die eveneens in de stad was komen vast te zitten, is door de Verenigde Naties geëvacueerd zodra dat mogelijk was. “Een Zaïrees is blijkbaar minder waard dan een Portugees”, zegt De Milliano. De Zaïrese regering bekommert zich niet om haar onderdanen en de Zaïrezen zijn ook niet populair bij de MPLA, omdat wapens voor UNITA vaak via Zaïre Angola bereiken. “MPLA gebruikt hen als een soort gijzelaars. Ze vertelden dat ze soms gevaarlijke karweitjes moeten opknappen aan het front. Toen er een hevige stadsguerrilla woedde werd er een Zaïrees vooruitgeschoven om te kijken of UNITA in een bepaald gebouw zat. We gaan dit bespreken met de VN; als het conflict weer oplaait loopt deze groep extra gevaar.”

In de Zambiaanse hoofdstad Lusaka wordt druk bemiddeld om van de huidige adempauze in de burgeroorlog gebruik te maken en de partijen weer aan de onderhandelingstafel te krijgen. Tientallen eerdere pogingen zijn al mislukt. Ook een olie- en wapenembargo tegen UNITA, dat verantwoordelijk wordt gehouden voor de hervatting van de burgeroorlog in december vorig jaar, heeft nog niets uitgehaald. De Milliano denkt dat alleen voedselnood bij beide partijen gezorgd heeft voor de kleine opening die er nu is. “Het kan nu twee kanten op. Of de partijen komen bij zinnen en gaan het vredesproces in, of het evenwicht slaat opnieuw om in strijd.” Hij is bang dat het laatste zal gebeuren. “Ik zie niet in dat er iets is veranderd waardoor de partijen dichter bij elkaar kunnen komen. Er zijn alleen maar diepere wonden geslagen.”

    • Joke Mat