Algemene Hogere Opleiding als reëel alternatief

Volgens staatssecretaris Cohen moet er een sterkere scheiding komen tussen HBO en universitair onderwijs. Maar het zou beter zijn het voorbeeld van het buitenland te volgen en juist toenadering te zoeken. De Algemeen Hogere Opleiding uit de HOT-nota van 1975 heeft daarom nog niets van zijn actualiteit verloren.

In het onlangs gepubliceerde Hoger Onderwijs en Onderzoeks Plan (HOOP) gaf staatssecretaris Cohen aan het wetenschappelijk gehalte van de universiteiten te willen vergroten. En passant werd het aantal studenten geacht met vijftien procent af te nemen. De prompte Calimero-achtige reactie van de HBO-raad was defensief en verongelijkt, maar een korte periode van herstel was voldoende om terug te slaan met een nieuwe vorm van hoger onderwijs: het HBO-Plus. Beide plannen lijken op paniekvoetbal en illustreren de problemen waarmee het gehele hoger onderwijs te kampen heeft.

Deze problemen zijn uitentreuren geschetst: uitpuilende collegezalen die vaak lijken op inloopcafés, grote groepen weinig gemotiveerde studenten, een onvermijdelijke kwaliteitsslijtage, een hoog uitvalspercentage. Er is een sluipende de-academisering, bekroond door nieuwe 'wetenschappelijke' jokers als Algemene letteren, Vrijetijdskunde, Algemene natuurwetenschappen, etcetera. We moeten die overigens niet de student kwalijk nemen. De vraag naar hoger onderwijs is legitiem. Het stelsel van studiefinanciering en de OV-jaarkaart hebben de problematiek niet uitgelokt maar hooguit aangetoond.

Als de minister nu vaststelt dat in het wetenschappelijk onderwijs veel studenten rondlopen die daar niet thuishoren, is dat een formidabele open deur. Dit werd ook 20 jaar geleden al geconstateerd. De samenleving, of zo men wil de politiek, heeft dit willens en wetens in stand gehouden. Zo weldadig als de beleidsrijkdom vloeide, zo armetierig was het vermogen de problemen aan te pakken. De ontluikende bonte verzameling universitaire 'kundes' kwam meer tegemoet aan de wens vakgroepen te laten groeien of te laten voortbestaan dan aan een gebleken behoefte. De door Cohen geuite hoop op voldoende zelfreinigend vermogen van de universiteiten zal dan ook ijdel blijken te zijn.

Het allocatieprobleem wordt vergroot door een opgeklopte controverse tussen universiteiten en hogescholen. De hogescholen zijn het produkt van een fusiegolf tussen HBO-instellingen en hebben de indertijd beoogde bundeling verre overtroffen. In een korte tijd hebben zij zich ontwikkeld tot zelfbewuste instellingen die qua omvang en organisatie met universiteiten kunnen worden vergeleken. Bij een dergelijke snelle expansie wordt, alleen al door de verdeling van de middelen, concurrentie voelbaar. In die situatie rijst dan vanzelf de vraag wat nu de meest wenselijke situatie is: handhaving van een binair stelsel, dat wil zeggen het naast elkaar laten voortbestaan van beide types hoger onderwijs, of een fusie. In discussies hierover dreigt het belang van de samenleving overigens wel eens overschaduwd te raken door het eigenbelang van betrokkenen. Ondertussen genieten we van het lachwekkende ritueel van de grensconflicten. Horen 'Verlieskunde' of 'Algemene letteren studies' nu op de universiteit thuis of in een hogeschool? Kennen deze nieuwe lessencycli (vaak een veredelde verzameling van 'Inleidingen tot...') naast een wetenschappelijke ook een specifiek op het beroep gerichte variant?

Omdat de problematiek in het hoger onderwijs op tal van punten niet wezenlijk anders is dan 20 jaar geleden, kan het geen kwaad vroegere beleidsnotities ook nog eens te bestuderen. Vele zijn nog zo goed als nieuw! Zo'n 20 jaar geleden werd het ministerie van onderwijs en wetenschappen geleid door de PvdA-tandem Van Kemenade en Klein. Dezen publiceerden in 1975 een nota 'Hoger onderwijs in de toekomst' (de HOT-nota) die uitvoerig ingaat op de actuele problematiek en hoofdlijnen schetst van een wenselijke structuur. De richting van de oplossing heeft verrassend weinig aan bruikbaarheid ingeboet. Een korte schets:

Een herinrichting van het gehele hoger onderwijs moet tot een grotere differentiatie van onderwijsprogramma's en een grotere flexibiliteit van opleidingsmogelijkheden leiden. Er is een ordening in vier types. Type 1 betreft opleidingen die voorbereiden op wetenschappelijk onderzoek, type 2 wordt gevormd door beroepsopleidingen die een wetenschappelijke vorming vereisen, (de learned professions), terwijl type 3 beroepsopleidingen betreft waarbij het accent meer ligt op de toepassing van wetenschappelijke kennis. Men denke achtereenvolgens aan een research-chemicus, een huisarts en een HTS'er. Er is ook een vierde type opleiding, de Algemeen Hogere Opleiding (AHO), nieuw voor Nederland, maar goed bekend in het buitenland. Kernpunt van de AHO's is dat ze niet opleiden voor een specifiek beroep. De leerdoelen bestrijken een breder gebied waarbij wordt gedacht aan een praktische, probleemgeoriënteerde opzet met leerstof uit verschillende disciplines. Een generalistische opleiding met ruimte voor persoonlijke ontplooiing en keuzes, gecentreerd rond een bepaald kernprogramma. Deze kernprogramma's vallen in drie categorieën: een literair-wetenschappelijk, een toegepast natuurwetenschappelijk en een maatschappijwetenschappelijk gebied. Veel aandacht wordt geschonken aan het gebruiken van kennis, methodologische scholing en empirisch denken. Kwaliteitseisen worden nadrukkelijk gesteld. De nominale studieduur valt samen met de toegestane inschrijvingsduur en de opleiding wordt altijd afgesloten met een dossierdiploma. De argumentatie voor juist deze vorm van onderwijs is als volgt.

Met de groeiende instroom in het hoger onderwijs is ook de spreiding in belangstelling en capaciteit van de studenten toegenomen. Dit levert fricties op tussen bestaande programma's en dat wat studenten verwachten. Die bestaande programma's zijn verankerd in bestaande wetenschapsgebieden of afgeleid van eisen vanuit een beroepenveld. Om die fricties weg te nemen geniet een nieuw type opleiding, de AHO, sterk de voorkeur, boven het creëren van steeds nieuwe varianten bij bestaande programma's. Afgestudeerden hebben een grotere wendbaarheid op de arbeidsmarkt en de AHO's kunnen flexibeler reageren op nieuwe ontwikkelingen. Tot zover dit resumé.

De nota is nog steeds zeer lezenswaardig. Kostenbeheersing is weliswaar een belangrijk aspect van de voorgestelde herinrichting, maar niet de ultimo ratio. Grotere differentiatie in het hoger onderwijs bevordert de wendbaarheid op de arbeidsmarkt en resulteert in een betere aansluiting. Er worden behartigenswaardige suggesties gedaan over beperking van studieduur, de kwestie van titulatuur, allocatie van studenten, enzovoort. Na 1975 werd het vrij snel stil rond de AHO. Niet dat de voorstellen op grote inhoudelijke weerstand stuitten. Een eerbiedwaardige vereniging als de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging heeft een uitvoerig commentaar geschreven. Expliciet wordt gesteld dat er zeker behoefte bestaat aan een type opleiding als de AHO. Door de wisseling van de politieke wacht de nota uit het zicht verdwenen. Dit gold niet voor de problematiek.

Tal van universitaire onderwijsprogramma's kennen anno 1993 AHO-achtige varianten, zij het dat deze zijn geperst in bestaande structuren. De pretentie - of illusie - van wetenschappelijk onderwijs moet immers worden hooggehouden. Het heeft de betreffende studierichtingen, behalve studenten, weinig goeds gebracht. Veel studenten, en misschien eerder vijftig procent dan de vijftien procent die nu wordt geopperd, hebben nu eenmaal de ambitie noch de aanleg voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. De erkenning van deze realiteit vraagt om meer dan een marginale bijstelling van het systeem.

Ook in 1993 worden weer studenten opgeleid volgens een curriculum dat geen recht doet aan hun werkelijke capaciteiten en belangstelling. Niet in de laatste plaats is het in de richting van de student fair dit te erkennen door flexibeler onderwijs aan te bieden. AHO's zijn in het buitenland al langer bekend en vormen een reëler alternatief dan allerlei sprookjesbosstudies. Zonder overdreven verwachtingen te koesteren zou een vorm van AHO wel eens louterend kunnen werken op de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs. De kwaliteit van alle vormen van hoger onderwijs wordt gunstig beïnvloed als zoveel mogelijk studenten dàt onderwijs volgen dat het best bij hen past. Ten slotte kan AHO een elegante verbindingsconstructie vormen tussen universiteiten en hogescholen. Juist op het intermediaire terrein van de AHO woeden de meeste territoriale conflicten met de universiteiten.

    • Jan Ludwig