Van Kempen

Paul van Kempen: Tsjaikofski Philips 438 310-2 (3 cd) Paul van Kempen: Beethoven Philips 438 533-2 (2 cd) Concertgebouworkest o.l.v. div. dirigenten Philips 438 524-2 (3cd)

Na Willem Mengelberg, die nooit meer zijn Concertgebouworkest zou dirigeren, zorgde Paul van Kempen uiteindelijk voor de langdurigste en geruchtmakendste nasleep van de naoorlogse Nederlandse muziekzuivering. Van Kempen, in 1893 in Zoeterwoude geboren, was violist in het Concertgebouworkest onder Mengelberg, werd in 1934 Generalmusikdirektor in Dresden en volgde in 1942 Karajan op in Aken. Hij kwam redelijk snel uit de zuivering en was in 1949 alweer chef-dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest. In 1953 werd hij tevens Generalmusikdirektor in Bremen, in 1955 overleed hij.

Op 28 januari 1951 zorgde zijn oorlogsverleden bij een optreden van Van Kempen met het Concertgebouworkest alsnog voor enorme opschudding. De uitvoering van het Requiem van Verdi werd onmogelijk gemaakt, zowel door demonstratief publiek in de zaal als door het vertrek van 62 orkestleden van het podium. Ze werden collectief ontslagen en later weer aangenomen. Een gevolg daarvan was dat een formele scheiding werd doorgevoerd tussen het Concertgebouw en het Concertgebouworkest, dat nu niet langer in dienst was van het gebouw maar zelfstandig werd.

Dat hele roerige jaar 1951 - van half januari tot en met december - maakte het Concertgebouworkest plaatopnamen voor Philips met Van Kempen, waarvan er nu een aantal is heruitgebracht in de serie The Early Years. Van Kempen blijkt een dirigent van belang: een grote persoonlijkheid die wel de invloed van Mengelberg heeft ondergaan, maar allerminst een kloon van hem is. De Amsterdamse Tsjaikofski-opnamen (o.a. de symfonieën nrs 5 en 6) en die met het Lamoureux-orkest zijn samengebracht op 2 cd's. De Zesde symfonie, een geweldige fel-bewogen en dramatische uitvoering, staat ook op een box met drie cd's met opnamen uit de jaren 1951-'79 van het Concertgebouworkest, naast door Van Kempen geleid door dirigenten van topniveau: Eduard van Beinum, Karl Böhm, Pierre Monteux, George Szell en Kirill Kondrasjin.

Het is allemaal gouden glorie. Monteux brengt een gespannen Onvoltooide van Schubert, Böhm leidt een imposante en gezaghebbende uitvoering van Strauss' Tod und Verklärung en Kondrasjin dirigeert een - vooral in het tweede deel indrukwekkende Derde symfonie van Beethoven.

Philips bracht ook Beethovenopnamen uit van Van Kempen met de Berliner Philharmoniker: o.a. de symfonieën 3, 7 en 8. De Derde van Van Kempen bevalt mij als geheel net iets beter dan die van Kondrasjin: meer zwier en aansprekelijke flair in het vierde deel bij voorbeeld.

    • Kasper Jansen