Tamil-Tijgers verrassen leger Sri Lanka

NEW DELHI, 15 NOV. Het voornemen van de regering van Sri Lanka om snel en krachtig af te rekenen met de Tamil-Tijgers in het noorden van het land, heeft zware averij opgelopen. Met een bloedige aanval op een grote legerbasis, waarbij de strijdkrachten de zwaarste verliezen opliepen uit de hele tien jaar durende burgeroorlog, gaven de Tijgers eind vorige week aan allerminst aan het einde van hun krachten te zijn.

Weliswaar slaagden inderhaast gestuurde versterkingen er het afgelopen weekeinde in de verloren legerbasis Pooneryn te heroveren, maar het kwaad was toen al geschied. Tenminste 250 militairen van het regeringsleger waren gedood, zo'n 500 werden vermist. Nog eens 500 soldaten werden gewond. Bovendien verloor het leger twee tanks, twee pantserwagens, verscheidene zware kanonnen en tientallen machinegeweren.

Ook de Tijgers doorstonden de gevechten bepaald niet zonder kleerscheuren: hun verliezen bedroegen vermoedelijk enige honderden doden, onder wie naar verluidt enkele tientallen vrouwen. De guerrillastrijders zelf spraken van 150 doden, maar de regering zei meer dan 300 lijken van Tamil-strijders te hebben aangetroffen.

De Tamil-operatie droeg het stempel van de opperste leider van de Tijgers, Velupillai Prabhakaran, wiens militaire talenten door vriend en vijand worden erkend. Bij het krieken van de dag vielen donderdag ongeveer duizend Tijgers vanuit zee Pooneryn aan, dat is gelegen aan de lagune van Jaffna. Vakkundig maakten ze eerst het communicatiecentrum van de basis onschadelijk om vervolgens de rest van het kamp onder de voet te lopen. Honderden regeringssoldaten vluchtten in paniek de nabijgelegen jungle in.

Voor de strijdkrachten waren de gebeurtenissen extra pijnlijk, omdat ze vooraf over inlichtingen beschikten dat de Tijgers iets in hun schild voerden. Met het oog daarop waren de wachtposten in Pooneryn onlangs uitgerust met nachtzichtapparatuur. Minister van defensie Hamilton Wanasinghe gaf toe dat de Tijgers desondanks “een element van verrassing hebben bereikt”.

Het was niet de eerste keer dat de troepen van president Dingiri Banda Wijetunga hun neus stootten. De Tijgers vormen ondanks hun geringe aantal van naar schatting 4000 man een zeer geduchte strijdmacht. De zwaar geïndoctrineerde jongeren kennen het gebied als hun broekzak en zijn hun zaak zeer toegewijd. Allen hebben een capsule met cyaankali om de nek om zo nodig zelf een einde aan hun leven te maken. Velen hebben in het verleden al aangetoond niet te aarzelen daarvan gebruik te maken.

Eind september kwam het bij de strategische Olifantspas, die toegang geeft tot het schiereiland van Jaffna, ook al tot een botsing, toen op initiatief van de regering. De regeringstroepen slaagden erin enige kilometers op te rukken en een haventje in te nemen dat de Tijgers en ook Tamil-burgers plachten te gebruiken voor hachelijke boottochten naar het vasteland. De prijs was echter toen ook hoog: 118 militairen werden gedood.

President Wijetunga, die de in mei bij een bomaanslag om het leven gekomen Ranasinghe Premadasa opvolgde, heeft vanaf zijn aantreden duidelijk gemaakt dat hij niet van zins was te onderhandelen met de Tijgers. Die duidt hij consequent aan als 'terroristen', die zo snel mogelijk dienen te worden uitgeroeid. Volgens hem hebben de mislukte onderhandelingen van zijn voorganger in 1990 aangetoond dat van die weg geen heil valt te verwachten. De Tijgers zijn toch niet van plan om ooit met minder genoegen te nemen dan hun eigen Tamilstaat, zo redeneert Wijetunga, en dat is voor hem ontoelaatbaar. Zo besloot hij de strijd tussen Sinhalezen en Tamils, die sinds 1983 al aan 32.000 mensen het leven heeft gekost, met volle kracht voort te zetten.

Aanvankelijk leek het Wijetunga met zijn harde koers voor de wind te gaan. In het eveneens door veel Tamils bewoonde oosten, waar het de afgelopen jaren dikwijls tot confrontaties kwam met Sinhalezen, leek de toestand onder controle te komen. De regering kondigde er zelfs voor februari volgend jaar lokale verkiezingen aan, de eerste in lange tijd.

Intussen verkeerden de regeringstroepen in een gunstige positie op het schiereiland Jaffna. Ze hadden het vliegveld van de stad Jaffna in handen, als ook enkele andere strategische bases. De Tamil-Tijgers hielden zich intussen koest.

Uit de stad Jaffna, die onder controle van de Tamil Tijgers staat, kwamen allengs meer berichten over een krappe voedselvoorziening en zelfs meldingen van het uitbreken van cholera. Helemaal afgesloten is het gebied onder controle van de Tijgers niet. Onder druk van buitenlandse hulporganisaties maar ook omdat de regering beducht is voor een stroom vluchtelingen, levert Colombo via het Rode Kruis enig voedsel aan de circa 800.000 mensen in het gebied.

Met voldoening hoorde de regering ook dat de onvrede over de Tijgers in Jaffna groeide. De guerrillabeweging heft hoge belastingen onder de bevolking om de strijd gaande te houden. Bovendien verhindert ze de burgerbevolking naar elders te vluchten. Alleen wanneer familieleden zich garant stellen voor de terugkeer, kan iemand eventueel toestemming krijgen om Jaffna te verlaten. Voor wegblijven krijgt de familie uiteraard een forse rekening gepresenteerd.

Als muziek in de oren klonk het Wijetunga en de zijnen verder het nieuws dat Tijger-leider Prabhakaran het aan de stok had gekregen met zijn nummer twee, Mahattaya. Prabhakaran legde deze oude strijdmakker daarop huisarrest op.

Door de jongste actie van de Tijgers is de hoop in Colombo op een spoedig wegkwijnen van de guerrillabeweging echter in één daverende klap teniet gedaan. Maar wellicht zullen de jongste ontwikkelingen de president ertoe aanzetten zijn strategie te wijzigen en toch op zoek te gaan naar een modus vivendi met de Tamils en hun guerrilla-organisatie.