Storm

De boom voor mijn huis zwaait heen en weer of hij van rubber is. Ik vrees voor zijn leven. De wind klinkt woedend. Bij iedere vlaag krijgt de gevel zo'n oplawaai, dat ik de schok tot in mijn botten voel.

Ik draai de handel van de spanjolet omhoog. De ramen waaien open tegen mijn buik en werpen mij achterover. Om ze weer dicht te krijgen moet ik er met mijn volle gewicht tegenaan gaan hangen: ze blijven terugduwen of ze levend zijn geworden.

De dichte deuren klapperen. Mijn gordijnen golven als een verticale zee en de verwarming verliest het van de wind. Vanaf het carillon waaien aan flarden geblazen wijsjes over. De schommel bij de woonboten zwaait al uren zonder dat er iemand op zit. Ik ga naar buiten om boodschappen te doen.

Het portiek ligt vol takken. De buitendeur slaat vandaag uit zichzelf dicht. Ik houd de bomen in de gaten om te weten welke kant ik eventueel op moet vluchten.

Midden op het plein bij de kerk staat een vrouw grote scherven aardewerk bijeen te vegen. Haar jas klappert als het zeil van een schip. Voor het postkantoor ligt pontificaal een tweepersoons matras op de rijweg.

Nauwelijks de volgende hoek om klinkt achter mij geschuif. Voor ik mij kan omdraaien, voel ik een platte vorm tegen mijn kuiten duwen: een plastic krat dat, zodra ik opzij spring, als een hovercraft over het plaveisel verder zweeft.

In de lucht duiken en stijgen grote stukken karton als verkeerd opgegooide vliegers.

Weer veilig terug bij mijn voordeur, kijk ik even naar de gracht. Op het hoog golvende water liggen twee meerkoeten voor anker. Die worden niet misselijk van het opgetild en weer neergesmeten worden. Maar, lachen om die hoge branding doen ze evenmin. Ze kijken zoals ze altijd kijken. Brrr, ik krijg het koud, ik ga naar binnen.