Junks vegen van Oost naar West

Het is vroeg en nog donker en Amsterdam slaapt. Maar onder de pilaren van de universitaire betonkolos bij het Waterlooplein draait het leven op volle toeren. Een duistere kluwen mannen en vrouwen loopt haastig heen en weer als ketsende balletjes in een flipperkast. Hier en daar flikkeren vlammetjes. Dan klinken er kreten in een voor buitenstaanders onbegrijpelijke taal.

De junk als idioot van de jaren negentig. Geschopt en geslagen, de pispaal van een stad die zich steeds onveiliger voelt. “Ze maken het mooiste in een mens wakker”, zegt Van der Woude wrang. Is er nu echt geen oplossing te bedenken? Iets definitiefs, iets moois, iets voor eens en altijd?

“Nee”, luidt het antwoord. “Je moet blijven vegen zoals je ook elke dag na het eten de afwas moet doen. Een oplossing met een grote O is er niet.” Zoals de moeder die de rotzooi onder het bed van haar kind uitharkt, zo veegt Amsterdam om de zoveel tijd zijn junks uit elkaar. Door concentraties te breken wordt het probleem beheersbaar, zeggen de beleidsmakers. “We zullen moeten leren met onze junks te leven.” En de feiten spreken voor hen: nog steeds daalt het aantal verslaafden in Amsterdam, terwijl het in andere Europese hoofdsteden toeneemt. De stad heeft zijn ritme, zijn zieken, zijn gekken. De ene scoort terwijl de ander slaapt.