Jan Vriend getuigt van zorg om slachtoffers in de barbaarse wereld

ß8Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. Werken van Wolpe, Glanert, Goehr, Knussen, Abrahamsen en Matthews. Gehoord: 12/11 Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht. Herhaling: 15/11 Dr. Anton Philipszaal, Den Haag. Radio-uitz.: 19/11 20.02 uur Vara Radio 4.

ß8Concert: Jos Zwaanenburg (fluit) en The Barton Workshop. Werken van Busoni, Knussen en Vriend. Gehoord: 14/11 De IJsbreker, Amsterdam.

Zondagmiddag in De IJsbreker getuigde een klaagzang van kinderen, slachtoffertjes van een obscene oorlog, zoals staat genoteerd in de partituur van Jan Vriends Symbiosis (1993) van het engagement van deze altijd al zo strijdvaardige componist. In eigen woorden: “De conflicten en onrechtvaardigheden in onze wereld, die overal zoveel barbaars en nodeloos lijden en schade veroorzaken, zouden misschien te vermijden zijn als het voorbeeld uit de natuur van symbiose de plaats zou kunnen innemen van de verouderde en totaal ondoelmatige starheid van racistische, nationalistische en sectarische dogma's, die het denkvermogen van de massa's verstikken en die in de mensen het slechtste naar voren brengen”.

Symbiosis, gecomponeerd voor fluitist Jos Zwaanenburg en The Barton Workshop, het ensemble van trombonist Jim Fulkerson, is een studie van interactie tussen solist en ensemble in diverse vormen van symbiose. Aanvankelijk verkennen fluit- en strijkkwintet voorzichtig het klankveld (meer ruis dan toon), en pas als de basklarinettist al spelend opkomt ontstaat een wisselspel.

Bij de verschijning van de trombonist wint het dynamische uitgangspunt, totdat de laatste protagonist (de pianist) zelfs aan een uitgelaten finalestemming bijdraagt, waarbij de wilde klank van de fluit wordt ingeruild voor de agressievere van de piccolo. Geen vrolijke finale, eerder een groteske in Oosteuropese zin met citaten als van Strawinsky's Le Sacre. Microtonen en glissandi maken Symbiosis kwetsbaar, een te zwenkende en zwalkende compositie die moeizaam op gang komt, maar dat expressionistische slot had ik niet willen missen.

Expressionisme en Mahler waren de twee pijlers van het concert eerder dit weekeinde door het Schönberg Ensemble met overwegend Engelse componisten, zoals Alexander Goehr (1932), Oliver Knussen (1952) en Colin Matthews (1946). Maar hier pakte het beoogde expressionisme veel minder spannend uit dan bij Vriend. Daarvoor zijn deze Engelse componisten eenvoudig te esthetisch. Goehr's A musical offering opus 46 voor veertien musici in vier ruimtelijke groepen opgedeeld, is een stilistische knoeiboel: ook al met Oosteuropese muziek, ditmaal in klarinet met slagwerk, naast een expressionistisch duo, een barokke groep en een jazzy koperensemble. Het ontpopt zich tenslotte onverwachts vriendelijk in Bach-achtige stijl à la Louis van Dijk. Matthews Two Part Invention voor kamerensemble in een collage van Mahler, jazz en Bach blijft in een luidruchtige cello-solo tot aan het slot toe heftig, maar de klankkleuren zijn veel te verzadigd en rijk om als werkelijk wrang te kunnen overkomen.

Knussen's Trumpets opus 12 voor sopraan en drie klarinetten klinkt ook al weer veel te estetisch om het te kunnen opnemen tegen de voorbeelden Webern en Mahler, al blijft Knussen's verklanking van de slotregel van Georg Trakl's gelijknamige gedicht toch nog lang in het geheugen hangen. Knussen's composities beginnen en eindigen meestal sterk, maar hij heeft moeite om een vindingrijk gegeven voldoende boeiend vol te houden en uit te werken: in het centrum zakt zijn werk vaak in.

De meest coherente muziek schreef de Deen Hans Abrahamsen met het subtiele septet Winternacht (1976-1978) al is ook hier geen sprake van Trakl's rode wolf die een engel wurgt, om een van zijn expressionistische stemmingsbeelden te citeren. Maar déze postmoderne visie op Mahler is veel pretentielozer, nauwelijks necrofiel, het gegeven is meer een aanleiding dan een invulling.

Al die intieme ontboezemingen werden door het Schönberg Ensemble onsentimenteel maar wel degelijk emotioneel rijk verklankt, want aan Knussen's autoriteit als dirigent valt niets af te dingen.

    • Ernst Vermeulen