De strijd om de Maashagedis

Maastricht wil zijn Sauriër terug. De vervaarlijk ogende schedel van Nederlands grootste fossiele dier, de Mosasaurus ofwel Maashagedis, is bijna 200 jaar geleden door confiscatie in Franse handen geraakt. Hij ligt al die tijd tentoongesteld in het Musée d'Histoire Naturelle in Parijs. “Weinig prominent tussen andere stoffige fossielen”, aldus de conservator van het Natuurhistorisch Museum te Maastricht, mevrouw F.N. Dingemans-Bakels. Teruggave lijkt haar wat te hoog gegrepen, maar langdurige bruikleen moet haalbaar zijn, oordeelt de conservator. Maastricht heeft vaker pogingen gedaan om de schedel terug te krijgen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er een kans die het museum heeft moeten laten lopen omdat het de Duitsers waren die aanboden het fossiel wel even terug te brengen.

In 1987 was er een lichtpuntje toen de Franse minister van onderzoek en hoger onderwijs tijdens een congres van wetenschapsjournalisten toezegde 'de zaak te zullen bekijken'. “Helaas nooit meer iets van gehoord”, aldus Dingemans. Op dit moment wordt het Natuurhistorisch Museum grondig verbouwd en in deze renovatie, die volgend voorjaar voltooid moet zijn, ziet de conservator een nieuwe kans om de terugkeer van het fossiel ter sprake te brengen. Dit keer wordt het museum hierbij geholpen door de (Maastrichtse) Europarlementariërs Bertens en Verhagen, die morgen met de Franse minister van cultuur, Alain Carignon, zullen spreken over de Mosasaurus. Gevraagd zal worden om een langdurige bruikleen.

De strijd om het fossiel lijkt Maastrichts-chauvinistische trekjes te hebben, maar toch heeft de kop meer om het lijf. De vondst, gedaan in 1770 in de St. Pietersberg, speelde een sleutelrol in de paleontologie die destijds nog in de kinderschoenen stond. Fossielen werden door natuuronderzoekers beschouwd als onschuldige slachtoffers van de zondvloed. Zij gingen ervan uit dat de natuur sinds de Schepping niet was veranderd. Zo meldde de Zwitser Scheuchzer in 1725 een spectaculaire vondst van een 'zondvloedmens', een zondaar die in de zondvloed zou zijn omgekomen. De eerste directeur van Teylers Museum in Haarlem, Martinus van Marum, kocht het overblijfsel rond 1800 aan voor de collectie. Op het moment van aankoop werd de interpretatie van dit stuk al in twijfel getrokken. Voor de definitieve ontmaskering zorgde de grondlegger van de moderne paleontologie, Georges baron Cuvier. Hij zette in 1811 in Haarlem persoonlijk de beitel in het fossiel, waardoor hij kon aantonen dat het skelet toebehoorde aan een reuzensalamander. Dezelfde Cuvier had al enkele jaren daarvoor flink stof doen opwaaien met zijn theorie dat dieren uitgestorven konden zijn. Na uitvoerig onderzoek, ondermeer op mammoetoverblijfselen die hij met skeletten van olifanten vergeleek, was hij tot deze conclusie gekomen. Rond 1800 was de jonge Nederlandse onderzoeker Adriaan Gilles Camper, in het voetspoor van zijn vader, eveneens geïnteresseerd geraakt in de Mosasaurus. Had zijn vader nog volgehouden dat het een tandwalvisschedel betrof, de zoon kwam na vergelijkend anatomisch onderzoek en uitgebreide correspondentie met Cuvier tot de slotsom dat het om een reusachtige onbekende roofhagedis moest gaan, verwant aan de varanen. Nu weten we dat de circa negen meter lange Mosasaurus 70 miljoen jaar geleden heeft rondgezwommen in de ondiepe binnenzee die Zuid-Limburg bedekte, en tegelijk met de dinosauriërs is uitgestorven.

De werklieden die in 1770 stenen hakten uit de mergelgroeve van de St. Pietersberg hadden geen idee van het belang voor de wetenschap, maar waren toen zij op de grote schedel stuitten wel zodanig onder de indruk dat zij terstond de chirurgijn Hoffmann lieten halen. Deze geneesheer en verzamelaar van fossielen besteedde dagen om het fossiel ongeschonden uit de grot te kunnen dragen.

Lang kon hij niet van 'zijn' vondst genieten, want de eigenaar van de grond boven de groeve, de kanunnik Godding, eiste met succes het eigendomsrecht van de vondst op. Postuum kwam Hoffmann echter toch nog eer toe: het 'grote fossiele dier van Maastricht' werd in 1829 Mosasaurus hoffmanni genoemd. Godding stelde zijn 'krokodil' tentoon in een vitrine in zijn lusthuis aan de voet van de Pietersberg en weldra werd het dier wijd en zijd bekend. De bekendheid strekte zich uit tot in Frankrijk.

Toen de troepen van de Franse Republiek in 1795 Maastricht binnenvielen hadden zij een decreet van de Nationale Conventie op zak om de “in Maastricht gevonden krokodil naar het Museum voor Natuurlijke Historie te zenden”. Lang heeft het verhaal standgehouden dat de Fransen 600 flessen wijn hadden uitgeloofd om de kop in handen te krijgen. Archiefonderzoek in de jaren zeventig heeft echter aangetoond dat soldaten het fossiel zonder meer uit Goddings woning hebben gesleept en het direct op een kar naar Parijs hebben vervoerd. Het opschrift op de kist luidde: 'Aangeboden aan de Franse Regering door deken Godding van Maastricht'.

Of een dergelijke kist na bijna 200 jaar retour wordt gezonden door de Franse regering wordt wellicht na morgen bekend. Tot op heden heeft het museum in Maastricht het moeten doen met een reconstructie van de bewuste schedel. Deze werd begin 19de eeuw geschonken door de genoemde Cuvier, die inmiddels was verbonden aan het Museum voor Natuurlijke Historie in Parijs.

Overigens is een fraai Mosasaurus-geraamte te bewonderen in Maastricht. Wie er op staat een originele schedel te zien, kan altijd terecht in Teylers Museum. Daar wordt sinds eind 18de eeuw de oudste vondst (1766) van een kakement samen met vele andere fossiele resten van de Maashagedis tentoongesteld. Directeur Van Marum, die de aanschaf had gedaan, kon confiscatie door de Fransen verhinderen. Door eerdere bezoeken aan Parijs kende hij twee van de met de troepen meegereisde commissarissen die waren belast met het veiligstellen van voorwerpen van kunst en wetenschappen voor de Franse republiek. Op dringend verzoek van Van Marum werd het museum gespaard, een aardige prestatie van iemand die in die tijd van revolutionaire woelingen bekend stond als gematigd orangist.

    • Marilou den Outer