Bastaardschaatsen doet 't zonder poeha en publiek

BRUGGE, 14 NOV. Short track is het ondergeschoven kindje van het schaatsen. Een ongewenste bastaard. Dat valt te merken aan de entourage waarin de tickets voor de Olympische Spelen in deze tak van sport worden verdeeld. Een kille ijshal in Brugge, gelegen in een el dorado voor recreanten: het Boudewijnpark. Met rolschaatsbaan én dolfinarium én reuzenrad. Dagtocht nr. 142 van de Belgische Spoorwegen.

Volgende week worden er weer kelnerwedstrijden gehouden, Maar afgelopen weekend was dit het decor voor de Belgian Pre Olympic Short Track Training Event. Die kille ijshal waar niet eens tribunes stonden. Zitplaatsen waren ook niet nodig, want de schaarse toeschouwers konden de lange zijde van de boarding nog niet vullen. En dan kwamen de meeste supporters nog voor 'de officiëlen', zoals in Vlaanderen officials heten. Als hij niet moest schieten, zwierde de starter sierlijk naar bekenden langs de boarding. Of hij schuifelde op schaatsen naar zijn dochter, die zich op een verveloze bank had verschanst met een stripboek en zak snoeppapier. Ze beet hem als dank in zijn duim.

Opschriften als 'Schaats u fit', 'Schaats in dezelfde richting'. Jongetjes, die bij de openingsceremonie de vlaggen van de deelnemende landen hebben gedragen, en even later mee inrijden met de sporters. 'Officiëlen' die met blote hand ijs scheppen uit een emmer Risso mayonaise om stukgeschaatste bochten te repareren. Dat past bij een sport zonder poeha en kapsones. Waarbij niemand schijn hoeft op te houden. Omdat er toch niemand kijkt. Omdat er geen camera's en schijnwerpers zijn die afleiden van de essentie.

Sporten doe je voor jezelf. Dat geldt voor alle sporten. Maar vaak raakt de sport overwoekerd door geld en publiciteit. Dan rest alleen nog de wildgroei van grote belangen en uiterlijk vertoon. Short track-rijders hebben daar geen last van. Voor hen geen sponsors. Voor hen geen televisieploegen. Short track-rijders doen het nog altijd voor zichzelf. Ongezien en miskend. Want shorttrack, wat stelt dat nou voor?

Zijzelf zijn kennelijk de enigen die de schoonheid van het short track zien. Zo oneindig veel spectaculairder en afwisselender dan het geestdodende lange afstand-schaatsen, dat door nationale blindheid en chauvinisme in Nederland zo'n grote populariteit geniet. Zij draaien hun rondjes, van ruim honderd meter, met de snelheid van een brommer. En dat doen ze in dezelfde baan, met vieren tegelijk. Zodat een woeste achtervolging ontstaat, een haasje-over van versnellen en passeren.

Daarbij gaat het om snelheid, conditie en taktiek. Ook drama komt er aan te pas. Want vallen is fataal in deze sport. Wie valt, keilt met een klap tegen de boarding aan. Wie valt, verliest. En wie de val veroorzaakt heeft, dat maakt niet uit. Short track is hardvochtig en meedogenloos.

Sporten tegen de verdrukking in, schaatsen in de schaduw. Steeds weer opkrabbelen na elke val. Misschien geeft dat aan short track-rijders dat schild van onverzettelijkheid. Ze zijn krijgers op schaatsen. Ze ballen een vuist als ze als eerste over de streep komen. Dat hebben Falko Zandstra en Johann Olav Koss nooit gedaan.

Onverzettelijk is ook Gijs Rijneveld, coach van de Nederlandse ploeg. Hij weet best dat de Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond alleen maar oog heeft voor het lange afstand-schaatsen. Dat er voor short track nauwelijks geld is. Dat hij moet woekeren met de schaarse middelen.

En hij weet ook wel dat de Nederlandse ploeg bij het eerste kwalificatietoernooi vorige week in het Noorse Hamar weinig indruk heeft gemaakt. Maar wat wil je, zegt hij. “Als de concurrenten al acht weken op het ijs staan, wij pas drie. Als zij elke week 20 tot 24 uur op het ijs kunnen trainen, wij maar 8 tot 10. Omdat er voor meer geen geld beschikbaar is.” Dan rest alleen nog maar de marge. “Anderen zijn heer en meester. Wij mogen al blij zijn als we af en toe een speldeprikje kunnen uitdelen.”

Het toernooi in Brugge was voor Rijneveld “de belangrijkste wedstrijd van het voorseizoen”. Daarna blijft er voor de Nederlandse short track-rijders nog maar een mogelijkheid om zich voor de Winterspelen te kwalificeren: half januari bij de Europacup-wedstrijden, opnieuw in Brugge. Voor Rijneveld een opluchting dat zijn ploeg in het Boudewijnpark toch nog een paar speldeprikjes kon uitdelen. Erik Duyvelshoff, de enige short track-rijder die door het Nederlands Olympisch Comité al voor de Spelen genomineerd was, eindigde op de 1000 meter als zevende. Daarmee heeft hij vormbehoud getoond, vindt Rijneveld, en dat was de eis voor kwalificatie. “Erik was verkouden. Anders had hij de eerste vier gehaald.”

Bij de vrouwen zorgden Monique Velzeboer en Esmeralda Ossendrijver voor een kleine sensatie. Monique Velzeboer, die al twee Olympische Spelen heeft meegemaakt, won zowel de 500 meter als de 1000 meter overtuigend. Esmeralda Ossendrijver eindigde op beide afstanden als derde. Daarbij had ze het geluk dat haar naaste concurrenten op de 1000 meter allemaal onderuit gingen. “Maar dat hoort bij short track”, zei Rijneveld. Hij vond dat beide rijdsters met hun ereplaatsen een nominatie voor de Spelen hebben verdiend. Net zoals Marc Velzeboer die achtste werd op de 500 meter.

    • Dick Wittenberg