Vierdaagse werkweek

EEN STRIJDPUNT van vakbondsleiders en dagdromers over een vrijetijds-samenleving vindt plotseling aanhang in de directiekamers van ondernemingen en wint aan populariteit bij conservatieve partijen. Herverdeling van arbeid, jarenlang afgedaan als een stokpaardje van bevlogen idealisten, is in Duitsland en Frankrijk aan de orde van de dag. Korter werken wordt naar voren geschoven als oplossing voor een palet van tegenstrijdige problemen: werkloosheid, hoge arbeidskosten, bedrijfsverliezen en overproduktie in Europa. Ten opzichte van de pleidooien van enkele jaren geleden voor een 25-urige werkweek, bestaat evenwel een belangrijk verschil: het gaat om minder werk voor minder loon. Zelfs de vakbonden verklaren zich daarmee akkoord.

De vierdaagse werkweek is in opmars als noodgreep voor een onbeheersbaar geachte sociaal-economische crisis in de industriële ruggegraat van Europa. De directie van Volkswagen, een van de symbolen van het Duitse Wirtschaftswunder, heeft het personeel onlangs voor de keuze gesteld: vier dagen werken tegen een evenredige loonsverlaging, of ontslag van eenderde van het personeel. Volkswagen kampt met miljardenverliezen en stagnerende afzet. In Frankrijk heeft de senaat begin deze week een wetsvoorstel aangenomen dat de fiscale stimulering van een 32-urige werkweek bevordert. De loonsverlaging zou door de overheid gecompenseerd moeten worden. De Franse werkloosheid bedraagt ruim tien procent en herverdeling van schaars werk doet bij de conservatieve regering opgang als oplossing.

HET DEBAT over korter werken in Duitsland heeft plaats tegen de achtergrond van opwellende paniek over de teloorgang van het Duitse concurrentievermogen. Een paar weken geleden heeft bondskanselier Kohl gealarmeerd gesproken over 'pretpark Duitsland': met de langste vakanties, de meeste feestdagen, de kortste werkweek en beloningen die zowel bruto als netto tot de hoogste ter wereld behoren is 'sociaal paradijs Duitsland' bezig zichzelf uit de markt te prijzen. De voormalige DDR heeft na de eenwording in 1990 gevoeld wat gebeurt als de loonkosten plotseling drastisch worden opgetrokken. De goedkope concurrentie begint tegenwoordig achter de Oder/Neisse-grens en het Boheemse woud. In Oost-Azië gebruikt de bevolking alle beschikbare tijd om te werken aan de opbouw van een bescheiden welvaart.

De paradox tussen het pleidooi van Kohl voor minder vrije tijd en de noodsprong van Volkswagen voor een vierdaagse werkweek is slechts schijnbaar. Gemeenschappelijk element is het concurrentievermogen van de Duitse economie. Daarbij kan korter werken helpen als tijdelijke maatregel om VW of andere ondernemingen de kans te geven te overleven en zich aan te passen aan veranderende marktomstandigheden. Zo kan het ook een bijdrage leveren om de werkloosheid in Frankrijk een tandje terug te dringen. Maar voor een blijvende oplossing zijn verdergaande maatregelen nodig.

NOG SLECHTS EEN jaar geleden sloten de Duitse werkgevers- en werknemersorganisaties CAO-akkoorden met loonstijgingen die ver boven produktiviteitsverbetering uitgingen. Voor de ex-DDR dwongen de vakbonden versnelde gelijkschakeling van de lonen met West-Duitsland af. Dat klimaat van gemakzucht waarin sociale conflicten werden afgekocht of bijgepast met overheidssubsidies en Duitse ondernemers vervolgens aankondigden hun activiteiten naar Polen of Tsjechië te verhuizen, is bezig te veranderen. Een jaar na Nederland wordt nu ook in Duitsland, heel voorzichtig, de nullijn bepleit. En in Frankrijk is, net als in Nederland, inmiddels een levendig debat over de loslating van het wettelijk minimumloon op gang gekomen.

KORTER WERKEN is een defensieve maatregel die hooguit helpt om schaars werk anders te verdelen, geen bijdrage om nieuwe werkgelegenheid te scheppen. Dat vergt meer flexibiliteit. De kern van de structurele werkloosheid in Europa bestaat uit een aanbod van arbeid dat in de verzorgingsstaat uit de markt is geprijsd. Een grondige sociaal-economische herziening van de arbeidsverhoudingen in Europa is daarom onontbeerlijk. Het besef dat zelfs de grote Europese economieën, zoals Frankrijk en Duitsland, zich niet kunnen afschermen van de concurrentie van economische nieuwkomers, is een aansporing temeer om gevestigde belangen los te laten, verworven rechten ter discussie te stellen en te zoeken naar nieuwe dynamiek.