Video goed middel bij ondervraging van misbruikt kind

Op 9 november berichtte NRC Handelsblad dat het gerechtshof in Den Bosch “een nieuwe diagnostische methode heeft geaccepteerd als wettig bewijsmiddel” in een strafzaak tegen een stiefvader die zijn achtjarig dochtertje seksueel misbruikte. De term 'diagnostische methode' in dit verband kan verwarring scheppen in kringen van psychologen en strafrechtjuristen en is misleidend.

In het verhoor van het achtjarige meisje werd door de Eindhovense zedenpolitie gebruik gemaakt van schematische tekeningen van een meisjeslichaam en een mannenlichaam. Het verhoor werd op video vastgelegd en dat heeft op zichzelf al een belangrijke meerwaarde voor de juridische waarheidsvinding boven een schriftelijk proces-verbaal. De waarachtigheid van zichtbare emoties tijdens het vertellen over het misbruik - verdriet, gêne, ongemakkelijkheid over het moeten verraden van de pleger - kan zo door de rechtbank worden vastgesteld. De niet verbale uitingen van het kind zoals bevestigende knikjes en nee schudden, onderstrepen zichtbaar hetgeen gezegd wordt.

Beter dan een proces-verbaal toont een video-opname de moeite die een kind kan hebben met het aanduiden van geslachtsorganen en seksuele handelingen. Maar ook eventuele gesloten en suggestieve vragen van de verbalisant zijn makkelijker te herkennen. De antwoorden daarop verzwakken de betrouwbaarheid van de getuigenis. Op zijn minst moet het verhoor op een audio-cassetteband worden opgenomen, een video-opname verdient echter de voorkeur. Dat gebeurde in deze zaak en als getuigedeskundige in de strafzaak heb ik die band gezien en aan het hof mijn oordeel gegeven over de kwaliteit van de ondervraging.

Gedurende het verhoor heeft het meisje van alles verteld over de misbruiksituaties (de pleger, de slaapkamer, het bed, het moeten uittrekken van haar kleren) maar de woorden voor de geslachtsorganen en de seksuele handelingen die plaatsvonden kon zij niet over haar lippen krijgen. “Vraag maar aan mijn mamma, die heb ik alles verteld.” Het meisje had zichtbaar grote moeite de dingen bij de naam te noemen terwijl de zedenrechercheur helderheid en specificiteit wilde.

Hij pakte uiteindelijk de twee anatomisch correcte tekeningen en een doosje kleurpotloden en legde die op tafel. Desgevraagd wilde het meisje wel met een potlood aangeven waar en waarmee zij werd aangeraakt. Ze plaatste een kruisje op 'haar' vagina op de meisjestekening en op 'zijn' handen en penis bij de mannentekening. Toen de zedenrechercheur haar vroeg of er nog meer gebeurd was, legde het meisje zonder woorden en met beslistheid de mannentekening omgekeerd bovenop de meisjestekening. De hoge 'woorden' waren eruit, tranen biggelden over haar wangen, de videocamera legde het vast.

De Eindhovense zedenpolitie heeft het verhoor correct afgenomen. Geen sturende vragen, geen gesloten vragen, wel gesloten vragen die terugkomen op wat het kind in eerste instantie spontaan verteld heeft en daarop doorvragend. En uiteindelijk de tekeningen als hulpmiddel in het gesprek als het kind de dingen niet bij de naam durft te noemen.

Een van de aspecten bij politieonderzoek van seksueel misbruik is de manier waarop rechercheurs omgaan met de zo vaak voorkomende weerstand van kinderen om seksuele handelingen en lichaamsdelen met zoveel woorden te noemen. Het is dan zinnig om kinderen over een drempel heen te helpen. Een van de hulpmiddelen voor het bespreekbaar maken van vermoed seksueel misbruik is het bovenbeschreven gebruik van schematische tekeningen. Het is een te groot woord om dit een 'diagnostische test' te noemen in de zin waarin dit begrip in de psychologie gebruikt wordt. En deze procedure mag al helemaal niet verward worden met de projectieve test van het laten spelen met anatomisch correcte poppen en daaruit, zonder enige verbale begeleiding van de kant van het kind, afleiden of een kind wel of niet misbruikt zou zijn. Projectieve en andere psychologische tests zijn onbetrouwbaar en invalide als bewijsmiddel.

Maar het aankruisen van tekeningen in de loop van een verhoor over een misbruiksituatie als een kind de kardinale lichaamsdelen niet durft te noemen is dat niet. Deze procedure is een gespreksstimulerend hulpmiddel om een emotioneel beladen zaak aan de orde te stellen. Psychologische meetinstrumenten die op betrouwbare wijze vast kunnen stellen dat er sprake is van seksueel misbruik bestaan niet. De expliciete mededeling van een kind erover is een goed bewijsmiddel.

Het Bolderkararrest van de Hoge Raad verwerpt het gebruik van illusief spel met anatomisch correcte poppen als indicator op zichzelf voor misbruik. De psycholoog A.X. van Naerssen (NRC Handelsblad van 5 november) is geen voorstander van diagnostische tests. Ik ook niet. “Gewoon vragen en luisteren naar het antwoord”, zegt hij en dat is ook mijn devies. Maar als een kind in de context van alles wat het vertelt de seksuele handelingen of lichaamsdelen niet durft te benoemen, is het bovenbeschreven gebruik van tekeningen - of voor mijn part van poppen - geen ontoelaatbaar bewijs in het licht van het Bolderkararrest. Het gebruik van dergelijke poppen als projectieve test mag kortom niet op één lijn geplaatst worden met het hulpmiddel van de tekeningen in de politieondervraging.