TNO-Delft gaat aantal instituten samenvoegen

DELFT, 13 NOV. Bij de onderzoeksorganisatie TNO in Delft zal het aantal afzonderlijke instituten door samenvoeging verder worden verkleind tot er circa vijftien van de huidige 21 overblijven. Dit heeft de voorzitter van de raad van bestuur, ir. F.E. Mathijsen Gerst, dezer dagen bekendgemaakt. Ontslag van personeel wordt daarbij niet uitgesloten.

De reorganisatie komt voort uit de overgang van een drielagen- naar een tweelagenstructuur bij TNO. Eerste laag is de raad van bestuur. De tweede laag bestaat uit zogenoemde hoofdgroepen, die alle komen te vervallen. Alleen de hoofdgroep defensie blijft formeel gehandhaafd. De derde laag wordt gevormd door de instituten.

Mathijsen Gerst kondigde aan dat de periode tot 1 januari 1994 zal worden gebruikt om in overleg met betrokkenen de voorgenomen veranderingen nader uit te werken. Daarvoor treedt een speciale werkgroep op. “Opdat een resultaat wordt bereikt waarmee we met elkaar de toekomst in kunnen gaan”, aldus de voorzitter. De centrale ondernemingsraad krijgt gelegenheid over het voorgenomen besluit advies uit te brengen.

“Een logische stap in een al langer uitgezette koers”, noemt een woordvoerder de nieuwste reorganisatie. In 1986 bestond TNO nog uit 35 instituten. Door 'clustering' en 'indikking' is dat aantal in de loop der jaren gedaald tot 21.

Volgend jaar moet dat proces verder doorzetten, terwijl tegelijk de raad van bestuur met drie man wordt uitgebreid. Nu bestaat die raad uit twee personen: Mathijsen Gerst en prof.dr.ir. A. Rörsch. Omdat de laatste per 1 februari 1994 met vut gaat, krijgt de raad van bestuur vier nieuwe leden. Het zijn dr. ir. P. Folstar (nu hoofddirecteur TNO-Voeding), drs. F.Th. Gubbi (directeur financiën en administratie), ir. K. Vos (hoofddirecteur TNO-Industrie) en ir. C.M.N. Belderbos (hoofddirecteur TNO-Defensieonderzoek).

Volgens Mathijsen Gerst hangt de reorganisatie nauw samen met de positie die TNO wil innemen op de weg van fundamenteel onderzoek naar toepassing en produktie. “Die positie verschuift”, zei hij kort geleden op een bijeenkomst in Delft. “Het betekent dat we ons nog meer willen toeleggen op het leveren van bruikbare onderzoeksresultaten en toepassingen aan onze opdrachtgevers: het bedrijfsleven en de overheid.”