Scrupules

In De bosuil (Kosmos, 1983) beschreef Johan Mooij de schrik van een jonge bosuil voor zijn eerste prooi.

In het begin krijgen jonge uilen vlees voorgezet. Dat kan eruitzien als een muis, maar het is net zo goed dood als een biefstukje. Nu moet je je voorstellen dat een biefstukje zachtjes begint te loeien.

Met veertig dagen kunnen uilen enigszins vliegen. Met vijftig dagen krijgen ze belangstelling voor alles wat beweegt. Met zestig dagen benaderen ze hun eerste prooi, en die hoeft niet indrukwekkender te zijn dan een kever. Maar zoiets vertoont dan opeens tekenen van leven.

'Een beweging van de prooi en het jong neemt direct de dreighouding aan; de rug krom, de kop naar voren, vleugels een weinig gespreid en veren opgezet. Komt de prooi in zijn richting, dan wijkt hij terug, soms zelfs snavelklappend en blazend. Loopt de prooi van hem weg, dan gaat hij er in dreighouding achteraan.'

Heen en weer tussen hebzucht en ontzetting, een schoolvoorbeeld van ambivalentie. Pas met tachtig dagen slaan uilen hun prooi zoals het hoort.

Waarom vertel ik dit? Omdat ik dit komisch en leerzaam vind - dat zelfs uilen een zekere weerstand moeten overwinnen voordat doden een gewoonte wordt.

Waarom vertel ik dit nu? Omdat ik vannacht aan uilen lag te denken. Hoe ze in de Hatertse Vennen naar mijn hond kwamen kijken.

    • Koos van Zomeren