Schier contra de Verlichting

De club van Schiermonnikoog deed in zijn 'Duinrede' van 1992 uitvoerig zijn beklag over het moderne leven. Het ging om ons consumentisme (“wij zijn verslaafd aan consumptie”), de zinloosheid van ons jachtige bestaan (“Wij leven wel, maar er is weinig dat ons ten diepste raakt”), de 'kille' wetenschap (die het leven 'in hanteerbare stukjes opdeelt') en de anonieme sociale verhoudingen (“Hebben wij het geven verleerd? Of is het ons afgeleerd?”). In hun recent verschenen vervolgstuk, De taal van Schier, wordt de diagnose uitgediept vanaf de oude Egyptenaren, toen het 'hemelse bewustzijn' vervaagde en het aardse denken opkwam. “Dat denken maakt (de mens) los van God en inspireert hem de aarde aan zich te onderwerpen.” En vandaar is het dan een rechte lijn naar de WAO-misère en de filevorming op de A2. Zó kan het niet langer, begrijpt de lezer.

Een betoog van die strekking klinkt - zeker uit de koker van de succesvolle ondernemers die de Club rijk is - al snel als de standsbewuste klacht van een bedreigde elite. Zie de vulgair-romantische illustraties in de Duinrede - een idyllisch natuurstrand, waar slechts de wind door de halmen ritselt, versus een met patat-eters volgepakte kuststrook.

Maar zo'n wegwerpgebaar doet de Club geen recht. Het is wat al te simpel zijn 'ideeën' aan de kant te schuiven als een in kringlooppapier verpakte uiting van verlate puberteit. Ook in minder zweverige kring wordt tegenwoordig gesproken over de noodzaak van een nieuw nationaal élan, een wederopstanding van een elite die, niet gehinderd door de nationale compromissen-cultuur, richting geeft aan de samenleving. 'Schier' heeft voor de buitenstaander dan het voordeel dat het ondiplomatiek openhartig pleit voor een “nieuwe ordening”, die neerkomt op een elitair anarchisme ('een zelf-organiserende samenleving') met natuurlijk wèl hoog in het vaandel charismatisch leiderschap (leiders hebben een 'innerlijk weten' en 'een breder bewustzijn').

Zulke ideeën sluiten aan bij een lange, bonte traditie van anti-moderne en anti-liberale maatschappijkritiek. Wie de Duinrede en De taal van Schier leest, verbaast zich eigenlijk vooral over de pretentie van de auteurs dat zij iets nieuws te bieden hebben. Vanaf de achttiende eeuw hebben conservatieve, corporatistische, fascistische en marxistische denkers zich in diverse gradaties van bitterheid afgezet tegen de sociale gevolgen van de wetenschappelijke, industriële en politieke revoluties in de westerse wereld. Van de Duitse Romantiek tot het hippiedom klinkt één lange aanklacht tegen de liberale Verlichting en tegen de mechanisering en individualisering die Europa hebben weggevoerd van de harmonieuze standen-samenleving uit een geïdealiseerd verleden. Gemeen aan al die onheilszwangere boodschappen is de behoefte aan een organische samenleving (waarin iedereen niet alleen zijn plaats heeft, maar die ook kènt), leiderschap, en een nieuwe invulling van de 'zin van het leven'. Wie zich daarvoor interesseert kan terecht bij zulke uiteenlopende figuren als de negentiende-eeuwse esoterica Madame Blavatsky, of Martin Heidegger, die namens 'het Zijn' de opmars van het 'rekenende denken' aan de kaak stelde.

Ook de latere linkse maatschappijcritici keerden zich fel tegen de overgerationaliseerde, zielloze westerse cultuur - niet toevallig is juist Heidegger de kampioen van het Franse postmodernisme. De bloemenkinderen van twintig jaar terug zullen er nu misschien raar van opkijken dat juist een deel van de door hen zo gesmade zakenwereld blootvoets op de loop gaat met het hippe gedachtengoed, maar zo gek is dat niet. De tegencultuur van de jaren zestig is doorgedrongen tot het establishment - waar hij in eerste instantie vandaan kwam. Per slot van rekening was het ook de elite die begin deze eeuw, op zoek naar spiritualiteit in een onherbergzame wereld, wegliep met de Indiase wijze Krishnamurti, lang voordat The Beatles zich tot het oosten keerden.

Dat is niet alleen een interessante sociologische looping, het is ook een teken dat de consensus over de politieke en sociale inrichting van Nederland plaats maakt voor ideologisch gekleurde tegenstellingen tussen een representatieve democratie en naar corporatisme neigende staatsvormen, tussen egalitarisme en meritocratie. De auteurs van De taal van Schier zijn dan mogelijk geen eenzame ridders in een achterhoedegevecht voor een belaagde elite, maar juist de wegbereiders van een elitair anarchisme, of andere 'nieuwe' oplossingen voor de problemen van de massa-samenleving.

De Club van Schier confereert vandaag in Nijmegen.

    • Sjoerd de Jong