'Opa's hoorapparaat poetsen wij schoon'

DELFT, 10 NOV. “De mensen gaan hier stralend weg”, zegt B.K.P. Griffioen. Na een rondleiding door zijn medische en farmaceutische museum 'De Griffioen' in Delft kan de bezoeker tevreden zijn over de vorderingen van de medische techniek.

Een met een voetpedaal aangedreven, langzaam draaiende tandartsboor en een spuugemmer ernaast. Klisteerspuiten, amputatiezagen, apparatuur voor aderlatingen. De economische waarde van zijn collectie schat Griffioen niet al te hoog in: “Als je ermee op de markt gaat staan, krijg je er niets voor.” Maar de historische waarde is groot, denkt de museumbeheerder.

Griffioen was huisarts en directeur van het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft. Nu beheert hij samen met zijn zus M.C.M. Griffioen, ex-apothekersassistente, een verzameling antieke medische en verpleegkundige instrumenten, op afspraak te bezichtigen.

Vooral verpleegsters en apothekersassistenten in opleiding doen er hun voordeel mee, aldus Griffioen. In één klap wordt door een bezoek aan het knusse - ongesubsidieerde - museum het saaie vak geschiedenis van de geneeskunde aanschouwelijk gemaakt. Te zien zijn oude medische instrumenten en verpleegkundige materialen (veel van vijfentwintig à vijftig jaar geleden). Ook is er er is een oude apotheek ingericht, een ziekenkamer oude-stijl en een kamer met instrumenten voor oogheelkunde en keel- neus en oorheelkunde.

“Wij waren beiden waarschijnlijk behept met een zekere verzameldrift”, zo diagnostiseert Griffioen het ontstaan van het museum, dat in mei 1991 werd geopend en is gehuisvest op de bovenste twee etages van een grachtenpand uit 1545. “Mijn zus en ik vonden het beiden zonde dat instrumenten die niet kapot of versleten waren, werden vervangen door de moderne techniek. Door het geheel een commercieel tintje te geven, hopen we dat na ons overlijden andere mensen het willen voortzetten.” Doel van het museum is niet alleen het medisch erfgoed voor de ondergang te behoeden maar ook, zegt Griffioen, het wekken van eerbied voor vroegere generaties geneeskundigen.

Hij toont de collectie microscopen, de oude uitgerust met olielampjes, de nieuwere modellen met spiegels. Ook is er een 'vlooienglas' om de diertjes in rond te zien springen. “De microscoop was vroeger een gezelligheidsgebeuren”, zegt Griffioen. We lopen verder. Langs amputatiematerialen, pacemakers, verlostangen, een stoomketel waarmee het bacteriën dodende carbol in operatiekamers werd geblazen, een electrocardiograaf met een hartfilm en instrumenten voor het koppenzetten, aderlaten en klisteren. Griffioen: “Klisteren was de enige handeling die een apotheker op patiënten uitvoerde. Hij vervaardigde een drank en ging met een spuit onder zijn arm naar de patiënt om die in te brengen.”

Op naar de apotheek, waar mevrouw Griffioen de scepter zwaait. In de gang erheen passeren we een schilderij waarop Reinier de Graaf tijdens een van zijn 'obducties' op vrouwen is afgebeeld. Tijdens die lijkschouwingen ontdekte de zeventiende-eeuwse arts dat er in de eierstok kort voor de eisprong een bolletje verschijnt, sindsdien wereldwijd bekend als de 'Graafse follikel'.

In de apotheek beeldt een met zwarte jas uitgedoste pop de recepten lezende apotheker uit. Op de opstanden staan oude zalfpotten, kruidentonnetjes en flessen met ingebrande etiketten. Mevrouw Griffioen geeft uitleg over het pillen draaien. De heilzame stoffen worden gemengd in een mortier, gekneed tot een pillenmassa, op de pillenplank neergelegd en uitgerold tot een stangetje dat op het pillenmes komt te liggen dat de pillen afsnijdt. Als de pillen erg bitter zijn, worden ze met een flinterdun laagje bladgoud of bladzilver bekleed - de vergulde pil was de voorloper van de dragee.

Op de bovenste etage, de afdeling verpleegkunde, hangt een portretfoto van Florence Nightingale, de moeder van de verpleging. Er staat een verzameling po's, vroeger van tin, later van aardewerk, emaille en roestvrij staal, nu van glas. We zien verbandtrommels en injectiespuiten bestaande uit een glazen spuit met een metalen kop, die werden bewaard in alcohol. Men wist toen nog niet dat virussen in alcohol kunnen blijven leven.

Aantrekkelijk is dat veelal een ontwikkeling in elkaar volgende instrumenten is getoond. Griffioen wijst op een rekje messen voor staaroperaties met handvaten van ivoor, hout en chroom; vlakbij staan twaalf oogbadjes om een oog te spoelen als het ontstoken is of wanneer in het oog een vuiltje zit: van porselein, wit glas, blauw glas, bruin glas tot plastic. Griffioen: “Als je één zo'n ding ziet, zegt het niks. Als je ze bij elkaar zet, vertelt het een geschiedenis.”

Griffioen is van mening dat de oude instrumentenmakers zich meer toelegden op de schoonheid dan moderne fabrikanten. Hij bezweert iedereen nooit oude medische instrumenten weg te gooien. “Ik ben ervan overtuigd dat er nu dingen vernietigd worden waarvan, wist ik het, mijn hart zou stilstaan. Ik noem de oude baas die doof is en als hoorapparaat een grote koperen toeter heeft waarmee hij in z'n oor zit te punniken. Hij overlijdt en de nabestaanden zeggen: zo'n ding is vies, er zit oorsmeer aan, dat heeft opa altijd in z'n handen gehad, laten we dat maar weggooien. Dat vind ik zo zonde. Wikkel het in een oude krant of een lap. Wij kunnen hem schoonmaken met water en zeep. Wij poetsen hem op en dan staat hij hier weer te pronken.”

    • Arjen Schreuder