OMTRENT DE ONDERKLASSE

Tegen beter weten in, een essay over de economie en sociologie van de 'onderklasse' door Ruben Gowricharn 205 blz., Garant 1992, ƒ 37,50 ISBN 90 5350 131 2

Het gebeurde een half jaar geleden dat ik de tramhalte Damrak op kwam lopen en lijn 9 net voor mijn neus zag optrekken. Pro forma gebaarde ik naar de bestuurder; ik woon lang genoeg in Amsterdam om te weten dat de joviale en hulpvaardige Mokumse trambestuurder definitief is vervangen door een norse vakbondsbestuurder.

Met piepende remmen kwam lijn 9 tot stilstand en opende zijn deuren. Een donkere man met baard - in mijn herinnering had hij ook een tulband op - stak zijn hoofd naar buiten en riep me toe: 'Kom er gezellig bij!''

Daarmee had hij niets te veel gezegd. Binnen trof ik de sfeer van een huiskamer tijdens een verjaarspartijtje, met de bestuurder in de rol van grappige oom. Het bordje Niet spreken met de bestuurder vormde geen enkel probleem, want het was vooral de bestuurder die het woord deed. Geregeld klonk gelach op en niemand stapte de voorste tramdeuren uit zonder afscheid te nemen. 'Hartstikke bedankt, hè.'' 'Prettige dag.''

Ik had het gevoel het mirakel van Amsterdam bij te wonen. Rasechte Amsterdammers horen immers te kankeren, zeker in een dienstverlenende functie. Nu was deze trambestuurder juist een niet-rasechte Amsterdammer, maar dat maakte de zaak er alleen maar merkwaardiger op. Iedereen weet immers dat etnische minderheden tot de achtergestelde groepen behoren. Als er iemand mag kankeren, dan zijn zij het wel. Wat was er aan de hand met deze vreemde trambestuurder?

Het was midden jaren zeventig toen etnische minderheden en andere zwakkere groepen werden uitgeroepen tot 'doelgroepen van beleid'. Bij de definiëring van die groepen en de opkomst van dat beleid speelden sociaal-wetenschappelijk onderzoekers een belangrijke rol. Hun onderzoekgegevens maakten het mogelijk, objectief en betrouwbaar vast te stellen welke groepen extra aandacht behoefden, en waaruit die aandacht het best kon bestaan.

In zijn boek Tegen beter weten in betoogt Ruben Gowricharn dat sociale wetenschappers en beleidmakers zichzelf met deze gedachte voor de gek hielden. Hun benadering van migranten en andere zwakkere groepen was helemaal niet neutraal, maar cultuurgebonden. Dat wetenschappelijk onderzoek universeel geldige en controleerbare kennis zou kunnen opleveren, weerspiegelt een typisch Westerse culturele waarde.

Dit thema is verre van nieuw, zo niet versleten. Wat Gowricharns boek interessant maakt, is dat hij het uitwerkt voor de beleidspraktijk hier en nu. Het geloof in een 'neutrale' benadering van probleemgroepen kan slechts bestaan bij de gratie van consensus tussen onderzoekers en ambtenaren. Waaruit bestaat die consensus? Welke impliciete aannames liggen eraan ten grondslag? Gowricharn zoekt daarop een antwoord door de onderzoekers te onderzoeken die zich met de 'onderklasse' bezighouden. Hij richt zich vooral op de doorwerking van culturele normen in de onderzoekpraktijk: een 'culturele antropologie' van de Nederlandse sociale-wetenschapsbeoefening.

TABOE

Ruben Gowricharn groeide op in Suriname en studeerde sociologie en economie in Nederland. Eenmaal hier werd hij getroffen door de vanzelfsprekendheid waarmee zwakkere groepen worden geproblematiseerd. Weerspiegelde die problematisering reële problemen van de betrokken groepen? Of bestond zij vooral in het perspectief van de anderen?

Wat hem ook opviel: nóóit mag de cultuur van de onderzochte groep worden gezien als mogelijke mede-veroorzaker van achterstanden. Als immigranten en andere zwakkeren dingen doen die niet door de beugel kunnen, wordt dat in Nederland subiet uit externe factoren verontschuldigd. Gowricharn vond het ronduit ergerlijk dat hij dit taboe ook onder sociaal-wetenschappelijk onderzoekers aantrof.

In Suriname doet niemand moeilijk over verschillen tussen culturen. Daardoor heeft Gowricharn oog voor het geconstrueerde karakter van de aanname dat culturen en mensen gelijk zijn. In feite toont de vanzelfsprekende dominantie van het rationele, 'Eurocentrische' mensbeeld dat de Nederlandse cultuur in de praktijk wel degelijk wordt verabsoluteerd. Daarmee wordt de verscheidenheid aan mensen tot één 'cultureel normbeeld' teruggebracht.

Gowricharn spitst zijn betoog toe op het normbeeld voor gedrag op de arbeidsmarkt en op het werk. De norm luidt dat je hoort te streven naar lotsverbetering via een betaalde werkkring. Aan de hand van zijn eigen ervaringen en van wat buitenlandse waarnemers over Nederlanders schreven, werkt Gowricharn deze algemene norm uit tot het 'concrete normbeeld' van de in Nederlandse ogen ideale werknemer.

Dit hypothetisch profiel schrijft voor: schik je te allen tijde naar de groep; toon initiatief maar val niet te veel op; laat niet het achterste van je tong zien; neem geen risico's; geef geen fouten toe, maar zorg wel voor 'verklaringen' als je niet aan de verwachtingen hebt beantwoord. Een belangrijk element van het normbeeld is dus dat het een voortdurende aansporing tot conformisme behelst.

WERKSCHUW

Bij de halte Waterlooplein onderbrak de bestuurder zijn conférence, want hij stond op om een oude buitenlandse mevrouw de deur uit te helpen. 'Take the subway,'' ried hij haar aan. 'Three stops.'' Omstandig wees hij haar de metro-ingang. Ondertussen wachtte de tram zonder morren. Gezelligheid kent geen tijd.

Dat sommigen er niet in slagen aan het normbeeld van de ideale werknemer te voldoen, wordt in Nederland geheel verklaard uit krachten van buiten. En méér dan verklaard: gelegitimeerd, constateerde Gowricharn met verbazing. De betrokkenen zijn 'ontmoedigd, gediscrimineerd, belemmerd door de overheidsinstanties, negatief beïnvloed door hun sociale omgeving, ziek, te oud, of pogen door fraude de aantasting van hun eigenwaarde door de langdurige werkloosheid tegen te gaan.''

In de ogen van sociaal onderzoekers en beleidsambtenaren bestaan er dus geen werklozen die 'indolent, werkschuw, op vertier gericht, ongeïnteresseerd en makkelijk zijn''. Iedere reactie wordt als rationeel beschouwd, ook als die bestaat uit schulden maken, fraude en zwart werken. Rationaliteit legitimeert zowel de norm als de afwijking ervan. Gowricharn stelt daartegenover dat mensen medeverantwoordelijk zijn voor hun lot doordat ze keuzes maken; en die keuzes zijn niet altijd rationeel. De onderklasse komt mede tot stand door zelfselectie die kan worden begrepen uit cultuurverschillen. De 'grote breuklijnen' lopen daarbij tussen generaties en tussen etnische groepen.

Voor immigranten speelt loyaliteit aan vrienden en verwanten een belangrijker rol dan werk. Arbeid is iets instrumenteels, en de arbeidsmoraal is daarmee in overeenstemming. Door die sociale verplichtingen kunnen immigranten zich in hun werk minder flexibel en minder 'achievement oriented' opstellen. Zij moeten dus voortdurend schipperen met de verwachtingen die het normbeeld stelt. Blijkt hun marktsucces minder te zijn, dan worden alleen zij geproblematiseerd, en niet het rationaliteitsconcept dat aan de markt ten grondslag ligt.

Gowricharn concludeert: als migranten deelnemen aan het arbeidsproces, zegt dat nog weinig over hun culturele integratie. Misschien moeten ze ervoor betalen met vervreemding van hun eigen gemeenschap.

AMBTELIJKE CONSTRUCTIE

Halte Artis, een paar meisjes stappen uit. 'Doe de dieren de groeten van me.'' Ze krijgen een laatste omfloerste blik door de achteruitkijkspiegel. 'Zullen we doen. Doei!'' En voor het eerst van mijn leven hoor ik een Amsterdamse gemeenteambtenaar groeten met 'Doeg!''

Gowricharn is hard en duidelijk in zijn diagnose van de sociaal-wetenschappelijke onderzoekpraktijk. In Nederland is de overheid de grootste opdrachtgever van sociaal onderzoek; zij wenst 'beleidsrelevante' resultaten. En ook al zijn ze formeel zelfstandig, onderzoekinstellingen spreken het woord van degenen wier brood zij eten: de beleidsambtenaren. In 'De Waarheid' zijn onderzoekers nauwelijks meer geïnteresseerd. Zij dragen bij tot een 'ambtelijke constructie' van de werkelijkheid, die ons weinig leert over gewone mensen in het echte leven. Het gaat vooral om de consumptie van de resultaten door de overheid. Het onderzoekbedrijf wordt derhalve sterk bepaald door de 'ambtelijke waan van de dag'.

De afgelopen decennia bracht die waan met zich mee dat 'langs culturele weg maatschappelijk overtolligen werden geproduceerd''. Onderzoekers en beleidmakers zoeken de remedie in ééndimensionale richting: handhaaf en versterk het arbeidsbestel, vergroot de inkomensverschillen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden. Zo wordt het normbeeld in wetgeving, beleid en uitvoeringspraktijk vastgelegd, waarmee de overheid volgens Gowricharn een aanzienlijke bijdrage levert aan het ontstaan van een 'onderklasse'.

Ook ondernemers hanteren culturele normbeelden. Bij hun selectie van sollicitanten spelen behalve universalistische gronden van vakbekwaamheid ook uiterlijke, sociale en culturele voorkeuren een rol. In navolging van de Britse onderzoeker Christopher Bagley (The Dutch plural society, 1973) stelt Gowricharn dat Nederlanders vooral discrimineren op gedrag, en veel minder op 'ras'. Naarmate immigranten zich minder in overeenstemming met de verwachtingen (kunnen) gedragen, zal hun positie dus problematischer zijn. Deze ongelijkheid van kansen kan alleen worden opgeheven als voor elke subgroep van de onderklasse het normbeeld wordt 'geconcretiseerd en bijgesteld'.

Pas als de uniciteit van culturele en individuele normbeelden wordt erkend, kunnen die in beginsel worden gerespecteerd, en in feite aan kritiek worden onderworpen. 'Die cultuurkritiek is een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot daadwerkelijke maatschappelijke hervorming.'' 'Daadwerkelijke hervorming'... prachtig. Deze zin staat te lezen op een van de laatste pagina's van Gowricharns boek. De schrijver heeft zijn 'essay' verpakt in een overdaad aan theoretische uitweidingen, maar als puntje bij paaltje komt, en de consequenties voor beleid om aandacht vragen, krijgt hij een verschrikkelijke haast. Vliegensvlug en flinterdun stelt hij dat de door hem gepropageerde 'flexibilisering van het normbeeld' tot een grotere absorptie van werknemers kan leiden. Hoezo? Méér werknemers: uitbreiding van werkgelegenheid? Een andere selectie? Zijn meest concrete aanbeveling is de bedrijfsorganisatie aan te passen aan de heterogeniteit van individuele werknemers. Hoe de werkgever dat doen moet, en waarom hij dat zou doen, daar kan de lezer slechts naar gissen.

WANTROUWEND

Bij de halte Eerste Van Swindenstraat staat hij niet alleen op, maar begeeft zich in alle gemoedsrust naar buiten, waar een vrouw met uitgezakt permanentje en slechte benen gereed staat om de tram te beklimmen. 'Neem uw tijd, mevrouw,'' horen we hem opmerken. 'Rustig aan! Waar moet u er uit? Ajax-stadion? Zal ik het straks even omroepen?'' Ze zegt niet veel terug, maar kijkt hem wantrouwend aan: dit kan toch geen zuivere koffie zijn?

Gowricharns visie is een stap voorwaarts vanuit het tot voor kort onder 'zwarte' onderzoekers populaire beeld dat de problemen van immigranten voortkomen uit het doorgefourneerd racisme van de Nederlanders. Dat beeld berust volgens hem veeleer op een axiomatisch uitgangspunt dan op een wetenschappelijk onderbouwde conclusie.

Maar hoe moeten we de problemen dan wèl begrijpen en oplossen? Wat moeten we anders doen? Immigranten zullen het antwoord in dit boek tevergeefs zoeken. Met de ene hand verzet de schrijver zich tegen de Nederlandse neiging om ieder falen uit externe factoren te verklaren en vraagt hij aandacht voor het belang van keuzes, met de andere hand hamert hij op het typisch Westerse van een rationele opstelling en het verschil in arbeidscultuur.

Maar is die afwijkende cultuur niet juist zo'n externe factor? En als dat zo'n belangrijke remmende factor is, hoe kan het dan dat heel wat immigranten toch succes hebben? Is het Westerse rationele denken werkelijk zo exotisch voor immigranten als Gowricharn aanneemt? Hij komt gevaarlijk dicht in de buurt van het door hem zo gekritiseerde slachtofferdenken.

Ook laat hij onvermeld dat het slachtofferdenken en het externaliseren van oorzaken beslist geen monopolie was van Nederlandse onderzoekers en beleidmakers. Zaakwaarnemers uit de minderhedenorganisaties bliezen dat vuurtje krachtig aan. Ook zij maakten niet de indruk dat het 'rationele' circuit van het minderhedenbedrijf problemen voor hen opleverde. Heel wat minder moeite heeft Gowricharn ermee Nederlanders de spiegel voor te houden. De passages over de vervlechting tussen onderzoekers en beleidmakers, en over het conformisme dat binnen arbeidsorganisaties wordt verwacht, behoren tot de beste van het boek, en vragen om discussie en vervolgonderzoek.

Jammer is wel dat Gowricharns culturele schetsen een nogal statisch karakter vertonen. Al een paar jaar is, ook in de minderhedenwereld, een omslag gaande naar een meer realistische en minder aanpassingsvijandige opstelling. Omslagen in het denken over taboe-onderwerpen kunnen in Nederland met verbazende snelheid hun beslag krijgen. Dat is te verklaren uit onze sterke neiging tot conformisme: als er één schaap over de dam is, volgen er meer. Gowricharn heeft wel oog voor dat conformisme, maar niet voor zulke veranderingen, omdat hij gedrag vooral verklaart uit diepgewortelde culturele tradities.

Dat Nederlanders over beleidsmaatregelen eerder in ethische dan in praktische termen discussiëren, is het gevolg van hun traditionele 'ethische' inslag. Ook de neiging om verantwoordelijkheden af te wentelen op externe factoren is nu eenmaal een typisch Nederlands trekje: deze behoefte van Nederlanders 'kan moeilijk worden overschat''. Zelfs de overheid doet eraan mee: economische successen worden geclaimd als beleidsresultaten, tegenvallers zijn te wijten aan factoren uit het buitenland. Het is flauw, maar de schrijver vraagt erom. Wat hij hier presenteert als toppunt van Nederlands volkseigen, werd verre overtroffen door de 'zwarte' boetepredikers die alle problemen terugvoerden op de koloniale erfzonde en het racisme van de Nederlanders. Op het ogenblik geven de regeringen van Suriname en de Antillen staaltjes van 'anderen de schuld geven' te zien, vergeleken waarbij Nederlanders een stelletje dilettanten zijn.

VEELBELOVENDE AANLOOP

Gowricharns boek bestaat grotendeels uit een veelbelovende aanloop. Zijn pleidooi om meer aandacht te besteden aan de rol van impliciete, cultureel bepaalde selectieprocessen op de arbeidsmarkt is alleszins de moeite waard. Maar als de lezer zich afvraagt hoe we deze processen dan kunnen terugdringen, en hoe werkgevers overtuigd kunnen worden van de voordelen daarvan, blijft het antwoord uit.

Gowricharn had bijvoorbeeld kunnen onderzoeken of werkgevers door bepaalde vormen van onbekendheid, angst en onbegrip niet evenzeer zichzelf duperen als de afgewezen sollicitant. Daaraan moest ik denken toen ik bij halte Hogeweg die tram uitstapte, met spijt dat ik op mijn bestemming was aangekomen. Deze trambestuurder getuigde van een voor Nederland onorthodox 'normbeeld'. Zijn vriendelijkheid en voorkomendheid waren duidelijk gebakken in het Derde-wereldland vanwaar hij afkomstig was. Ik wou dat er meer trambestuurders waren die nog iets uitstralen van de gemeenzaamheid van een kleinschalige samenleving.

Zoals veel openbare instanties voert de gemeente Amsterdam een 'voorkeursbeleid' voor etnisch afwijkende groepen. 'Positieve actie' wordt zo'n personeelsbeleid genoemd, waarmee wordt bedoeld dat groepen die op de arbeidsmarkt slechte kansen hebben, bij sollicitaties 'positief' worden gediscrimineerd. Als emancipatie-methode is deze aanpak omstreden. Hebben de betrokken groepen er wel wat aan wanneer ze worden voorgetrokken op andere gronden dan hun capaciteiten?

Echt 'positieve' actie is, dunkt mij, dat je gebruik maakt van de bijzondere kwaliteiten die een sollicitant te bieden heeft. Sommige van die kwaliteiten zullen samenhangen met zijn etnische achtergrond. Het is onbevredigend dat Gowricharn zelfs geen poging doet om uit te zoeken in welke opzichten die kwaliteiten aantrekkelijk zijn voor werkgevers. 'Positieve actie' zou bijvoorbeeld ook kunnen betekenen dat je voor publieksfuncties liefst mensen kiest die een positieve sfeer weten te scheppen. Wie in lijn 9 iets van groepsgeest en burgerzin weet aan te kweken, is geen slachtoffer: hij is goud waard.

    • Herman Vuijsje