Nieuwlichters in de sport lopen stuk op een muur rond heilige huisjes

Voorzitters van nationale sportbonden die na korte tijd om persoonlijke redenen opstappen. Opvolgers zijn nauwelijks te vinden. Wie ziet er nog brood in besturen? Een probleem voor sportorganisaties, die meer willen dan een voorzitter die op de winkel past.

ROTTERDAM, 13 NOV. Misschien dat de sportwereld nu eindelijk eens wakker wordt, verzuchtte een oud-bondsvoorzitter toen hij deze week het bericht in de krant las dat Charles Luyk met onmiddellijke ingang opstapte bij de schaatsbond. Weer een voorzitter weg. Weer om persoonlijke redenen. En weer iemand die in het bedrijfsleven al zijn strepen had verdiend.

Ze worden binnengehaald omdat bonden beseffen aan vernieuwing toe te zijn. Maar zodra de nieuwkomer de zittende bestuursleden aanzet tot zelfonderzoek is de animo bij hen op slag verdwenen en krimpt de steun voor de nieuwlichter. Dan verschansen bestuursleden, commissieleden en afdelingsbestuurders zich in hun vesting van vastgeroeste opvattingen, om zich te laten terugzakken in het pluche van de vergaderzetels waarin het profiel van hun zitvlak al behoorlijk is uitgesleten. Hun oordeel luidt dat de nieuwe voorzitter te ondeskundig is op het specifieke terrein van die sport. Te weinig rekening houdt met de gevestigde verhoudingen, die zijn verankerd in statuten en huishoudelijk regelment. Of dat de functionaris zich domweg heeft vertild aan het voorzitterschap.

Beschadigingen en bitterheid zijn het gevolg. Bert Funk was nog geen jaar voorzitter van de Nederlandse Volleybal Bond (NeVoBo), toen hij tot vertrek werd gedwongen. Onder zijn bewind was de emotioneel beladen beslissing over een wisseling van bondscoach gevallen, tijdens zijn zittingsperiode liep de schuld op tot een miljoen gulden. Wekelijks zat hij in een televisieprogramma of voor de radiomicrofoon om weer iets uit te leggen. Nu is hij onbereikbaar. Op het bondsbureau zegt men niet te weten waar Funk is, de PTT meldt dat hij een geheim telefoonnummer heeft. Een NeVoBo-functionaris geeft de raad niet verder te zoeken. “Doe het niet. Laat het rusten. Het is geweest.”

Of neem Willem van Breukelen. Voormalig commandant van het korps mariniers. Hij trad in april 1992 aan als voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (KNAU) om de in 1991 overleden Wim de Beer op te volgen. Maanden was er naar een geschikte kandidaat gezocht. Elf maanden later is hij weg. “Over de reden van mijn aftreden wil ik in het openbaar geen uitspraken doen”, reageert hij.

Charles Luyk, net teruggetreden als voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond (KNSB), is er wel duidelijk over. Hij was in het bedrijfsleven, maar ook in andere maatschappelijke organisaties als Kamer van Koophandel, Adviesraad voor het Verzekeringswezen, Zuiveringschap en hockeyclub, gewend op zakelijke basis plannen te ontwikkelen. “In de sport hebben mensen om hun heilige huisjes muurtjes gebouwd. Ik had er tevoren wel een idee van hoe het zou zijn, maar niet dat het zo erg was.”

Het zijn reacties die het enthousiasme onder potentiële kandidaten niet zal aanwakkeren. Bonden worden opgezadeld met het grote probleem een geschikte voorzitter te vinden. Hoe moeilijk dat is, ervoer de Koninklijke Nederlandse Krachtsport Bond (KNKB). Met gejuich werd het telefoontje ontvangen waarin een volstrekt onbekende zich voor die vacante functie meldde. De nood was zo hoog dat de bond de profielschets achteraf maakte, om er zeker van te zijn dat de kandidaat er in zou passen. Hoera, een voorzitter.

“Vroeger was die baan nog leuk”, zegt Piet de Bruin, die achttien jaar voorzitter was van de NeVoBo. “Toen had je nog geen sponsoring, brieven van juristen, kort gedingen. Nu is een bond een bedrijf. Met een eigen ondernemingsraad, een eigen cao.” De eisen zijn veel hoger geworden, de waardering voor het werk is gering. “Je krijgt stank voor dank.” Al beseft De Bruin dat het bij die functie hoort. Het is, zegt hij, “de tragiek van de voorzitter. Iemand anders doet een uitspraak; jij moet antwoord geven. Anderen blazen de begroting; jij moet een verklaring geven. Je moet zo veel uitleggen en wordt net zo veel keren afgezeken.”

Zoveel somberheid over een functie die vroeger door velen werden geambieerd. Te somber, vindt Wouter Huibregtsen, de voorzitter van NOC*NSF. Die ketting van vertrekkende voorzitters laat zich wel verklaren. Het is een liefhebberij, die je erbij doet naast je omvangrijke dagtaak. Het is iets waar je makkelijker mee stopt dan met een baan. Het vereist aanpassing. “Je komt in een wereld met een meer dan volledige democratie. Mensen doen hun mond open zonder goed op de hoogte te zijn. In het bedrijfsleven houden zulke mensen hun mond dicht. Een tweede element is dat in de sport alles op straat ligt. Hele en halve waarheden, hele en halve leugens.”

Arie Kauffman, directeur van de Atletiek Unie, zag zijn bond voor de opgave geplaatst een opvolger voor Van Breukelen te zoeken. Het verrassende vertrek van de pas aangetreden man was al geen aanmoediging, de doping-affaire rondom discuswerper Erik de Bruin tijdens het wereldkampioenschap in Stuttgart maakte het nog minder aantrekkelijk. “De mondigheid van de leden wordt groter. Het feit dat je beslissingen aan het recht getoetst kunnen worden zijn een reden voor mensen zich te bedenken. En alles speelt zich af in de openbaarheid. Het plezier in het besturen kan er door worden weggenomen.”

De onbeweeglijkheid van zittende bestuursleden is een bron van ergernis voor nieuwe voorzitters. De angst om een functie kwijt te raken is groot. “In de sport”, zegt Luyk, “kom je vaak het compensatiemodel tegen. Mensen die zich maatschappelijk, om wat voor reden dan ook, niet konden ontwikkelen, hebben in de sport de kans aanzien invloed en macht te veroveren. Ze houden zich niet bezig met de vraag wie bij een volgende termijn de opvolger moet worden.” Een oud-voorzitter herinnert zich dat een bestuurslid hem ooit toevertrouwde dat hij zonder sport nooit iets geworden zou zijn. Daar zit een zekere tragiek achter, want zodra een bestuursfunctie wegvalt stort zijn hele wereld in.

Luyk, de vierde voorzitter van de schaatsbond sinds 1988, greep dat kernprobleem onmiddellijk bij de horens. Sloeg een paal aan de horizon en tekende het pad van vernieuwing dat daar stap voor stap heen moest leiden. Volgens democratische principes, zegt hij zelf. Maar de besluiten die met de vereiste meerderheid waren genomen, werden niet gerespecteerd. Uitspraken van beroepscommissies tot de hoogste instantie toe, werden aangevochten of terzijde gelegd. “Ik vroeg me steeds af of ze nog achter me stonden of me voor het vuurpeloton wilden zetten. Er was een sfeer van elkaar niet meer vertrouwen. Op een bepaald moment ben je zo bezig negatieve energie te stoppen in dingen die je toch niet kunt veranderen. Het vernieuwingsproces waarin mensen kwetsbaar worden, daar is een emotionele verandering voor nodig. Dat vraagt een andere kwaliteit van mensen.”

Die zijn er wel, maar hun bereidheid is verminderd. De economische omstandigheden spelen een rol. Kauffman: “Mensen vragen zich af of ze die sores wel op zich moeten nemen. Topfunctionarissen uit het bedrijfsleven die bezig zijn met hun carrière of schoolgaande kinderen hebben. Misschien bezorgt het wel last bij zijn werkgever. Bovendien heeft iedereen door zaken als arbeidstijdverkorting te maken met een toegenomen werkdruk.”

Waarom wel? Huibregtsen heeft er een persoonlijke opvatting over. “Wanneer je eraan begint weet je dat er een horizon ligt van drie tot vijf jaar. Je krijgt roddels over je heen, tegenslagen. Maar ik geloof in de maatschappelijke betekenis van de sport. Dat is de drijfveer om die functie uit te oefenen. De belangrijkste reden voor iedereen om door te gaan, is natuurlijk een prettig bestuur. Waarin je met elkaar kunt lachen, plezier kunt maken, geniet van de dingen die je doet. We moeten het onszelf niet aanpraten dat het niet leuk is om te besturen.”

Kauffman begint kandidaat-bestuursleden dan ook altijd te vertellen dat het ook weer niet zo erg is. Maar de werkelijkheid is dat steeds minder mensen zich er door laten overtuigen, niet kunnen of willen voldoen aan de eisen die er gesteld worden. Daarom ontstaan opvattingen om het bestuurlijke model van sportbonden daarbij aan te passen. Directeur Jurjen Osinga van de Schaatsbond zegt wel iets te voelen voor een model met een Raad van Commissarissen, waaraan de professionele staf van een bond maandelijke rapporteert.

De Bruin oppert de gedachte bondsvoorzitters hun eigen bestuur en medewerkers te laten kiezen. “Nu krijg je mensen om wie je helemaal niet gevraagd hebt. Die worden je door een bondsraad eventjes toegewezen. Dat werkt vaak niet. Als een voorzitter mensen om zich heen kan aanwijzen, kan hij zijn eigen lijn volgen. Daar kan hij dan op worden aangesproken.”

    • Peter de Jonge
    • Hans Klippus