KRAVITZ

Wat heb ik met de zwarte muziek? Cornel West, een Amerikaans filosoof, zei een paar jaar geleden dat James Brown hem ervan weerhoudt zichzelf van kant te maken. Maar West is een zwarte man en voor hem heeft de stem van James Brown de baarmoederlijke betekenis van veiligheid en geborgenheid. Voor mij geldt het tegendeel, als hindoestaans kind mocht ik niet luisteren naar 'negermuziek'. Dat was wild, rauw en onbeschaafd. En nu ga ik naar een concert van een van zijn belangrijkste opvolgers, Lenny Kravitz.

Een popconcert, wat scheelt me nou; mij laten behandelen als een rund, aan me laten trekken en duwen, mij in een dikke rij door smalle ingangen laten persen, met de wang tegen iemands rug, de neus in andermans oksel, de borsten van een stevige Amsterdamse in de nek? Maar ik heb het er voor over.

De dame die me bij de ingang fouilleert kijkt me aan met de blik van de prostituée die meteen door heeft dat het je eerste keer is. Ik draag dan ook de verkeerde kleren, en heb de verkeerde leeftijd. Iedereen om me heen is twintig, blank en vrolijk, terwijl ik schuchter en bangelijk langs de muren loop te zoeken naar mijn stoel, nummer Bb11. Bb11 is hoog! De tribune is zo steil dat ik me aan ieder stoeltje vasthou, en helemaal belachelijk voel ik me als een meisje voor mij opschuift dat popcorn en frisdrank verkoopt. Ze heeft een grote doos op haar hoofd en ze drentelt de smalle traptreden op en af alsof ze op het strand is. Zo is ze trouwens ook gekleed.

Met tienduizend mensen bij elkaar is het niet direct knus, maar ook niet ongezellig. Links van me zit een lieflijk paar met elkaars oorlel te spelen, een meisje met dun rood haar en een jongen die straks zijn vaders boerderij zal erven. Maar plotseling haalt het meisje een hasjpijp tevoorschijn die ze onhandig begint aan te steken. Mijn verstand zegt dat het moet kunnen, maar mijn vertedering is verdwenen. Een paar stoelen naar beneden zitten een man en een vrouw die nog fouter van leeftijd zijn dan ik. In de veertig, schat ik, in vrijetijdskleding van de Bijenkorf. Kaartjes van de kinderen gekregen zeker, wegens hun zilveren bruiloft. Kinderen kunnen sadistisch zijn.

Een uur voor aanvang zit iedereen op zijn plaats. Plotseling tilt een groepje mensen de armen omhoog, onder het uiten van een dierlijke kreet. Dat wordt opgevolgd door een groepje naast hen, dan weer een groepje daarnaast, alsof men groepsgewijs geïnfecteerd raakt. Zo ontstaat een golf door de hele hal, eerst beneden, dan de linkertribune, dan weer beneden en dan de rechtertribune, gedisciplineerd en spontaan tegelijk. Het bijenkorf-echtpaar kijkt even verbaasd als ik. Zo zijn er meer rituelen waar niemand mij ooit iets over verteld heeft. Het gooien met volle colabekertjes. Het flauwvallen. Iedere vijf minuten zie ik een lichaam in de arena naar boven getild en naar voren geschoven worden. Eerst denk ik dat het net zo'n spelletje is als die golf van daarnet, maar ze worden voorin als baby's opgetild en weggevoerd, naar een complete ziekenboeg, neem ik aan. Het zijn bijna allemaal meisjes die flauwvallen, jongens zijn daarvoor nog niet genoeg geëmancipeerd.

Eerst krijgen we het voorprogramma, een hardrock-bandje. Ze noemen zich Blind Melon en ze zijn ook nog doof. De jongeren klappen wel, maar als ik het vergelijk met het gejoel en gekrijs tijdens het hoofdprogramma, zijn de meloenen uitgejouwd. Eindelijk komt dan de pauze waarin alle instrumenten en microfoons worden vervangen voor die van de echte ster, Lenny Kravitz. Hij schijnt een bijzondere melange te presenteren tussen soul en rock, de muziek van de zwarte en van de blanke jongeren, en hij put zijn inspiratie uit de jaren zestig. Daarom gebruikt hij alleen de apparatuur uit die tijd, om Curtis Mayfield en The Beatles zo dicht mogelijk te naderen. De jongeren gaan een heel eind mee met zijn heimwee, ondanks het feit dat ze geen herinnering hebben aan die tijd omdat ze toen nog niet waren geboren. Ze dragen rafelige bloesjes, broeken met wijd uitlopende pijpen, Arafat-sjaaltjes, schoenen met vijftien centimeter dikke zolen en zware kettingen met grote peace-hangers eraan. Ze imiteren de jeugd van hun ouders, en dat is behalve merkwaardig, ook angstaanjagend, want hopeloos conservatief.

Maar ik moet me niet laten afleiden, ik ben hier voor de muziek van Lenny Kravitz, die in een adem wordt genoemd met Prince en Terence Trent d'Arby, de drie wettige erfgenamen van de grondlegger van de soul, James Brown. De muziek is opzwepend en de drummer, een magere zwarte vrouw met een bos haar dat van kindsaf moet zijn gekweekt, is virtuoos. Het klinkt inderdaad als rock en soul tegelijk, maar Kravitz is in tegenstelling tot zijn leermeester geen performer. Al is het mijn eerste popconcert, ik heb het gevoel dat hij alles volgens voorschrift doet, zonder bezieling, zonder innerlijke overtuiging. Hij veegt zijn gezicht met een handdoek, realiseert zich dan ineens dat andere popsterren de doek naar het publiek gooien, en hij gooit hem dus. Nog schokkender is het feit dat Kravitz niet kan dansen. Hij danst, om het een tikje racistisch te zeggen, als een blanke. Met een strakke kont naar achteren, iets door de knieën gebogen en de tenen naar elkaar toe, als Joe Cocker indertijd. Het heeft wel charme, zo'n zwarte jongen met dikke dreadlocks die niet een fatsoenlijk danspasje kan maken.

Als Kravitz een machtig mooie en teder uitgevoerde soul-ballad inzet, en ik tienduizend roze en gezonde Hollandse jongeren, die niets hebben met de plantages en de tropen en de armoede waar het allemaal ooit begon, als gehypnotiseerd zie luisteren, krijg ik de gelegenheid om verder te peinzen: wat hebben we met deze muziek? Wat betekenen al deze zwarte Mozartjes als Prince en d'Arby en Kravitz voor de wereld en voor de beschaving? Niet veel, zegt de culturele elite. Het is te wild en te rauw, te populair ook, en daarom onbeschaafd. Maar het is ook mysterieus en zwoel, met de kracht van een onderdrukte extase. Ik weet dat 'kwaliteit' een machtskwestie is, zoals Bourdieu en De Swaan het hebben gezegd, het is de elite die bepaalt wat mooi is en wat lelijk, maar die macht is langzaam aan het tanen, geloof ik. Want als dit pulp is, als dit banaal en vulgair is, wordt het steeds onbegrijpelijker dat steeds meer mensen erdoor bevangen raken. En zelfs als je onderkent dat de wereld uit idioten bestaat die de gekste dingen mooi vinden is het onverklaarbaar waarom zoiets geks als de zwarte popmuziek nu al dertig jaar stand houdt. En is het wel zo gek, zou een driedubbelendwars geschoolde conservatorium-muzikant Kravitz in zijn wilde zinnelijkheid evenaren?

Er was een tijd waarin de beste romanciers van de aarde lyrisch spraken over jazz, maar nu tref je bijna niemand van enige allure aan die het met dezelfde hartstocht opneemt voor soul en funk. Toch is de soulmuziek, naar mijn gevoel, een gigantische bijdrage aan de wereldbeschaving. Beschaving betekent niet alleen dat je anderen niet van het leven mag beroven, maar ook dat je voldoende redenen hebt om jezelf niet van het leven te beroven. Zo'n reden geeft deze muziek, daarin heeft Cornel West gelijk.