Kees van Kalmthout

Ieder kind is een beetje mysticus. Je hebt er die met een gevorkte tak kunnen toveren, anderen bedwingen het toeval door op bepaalde stenen te stappen, of ze zijn in gezelschap van een onzichtbare beste vriend of ze hebben een geheime eredienst ontwikkeld voor een ding waarin niemand anders iets bijzonders ziet. Het komt voor dat ze een repertoire van zwarte kunst hebben opgebouwd waarvan dan weer deze, dan weer een andere discipline te hulp wordt geroepen. Je hebt er ook die er geen speciaal doel mee op het oog hebben maar hun mystiek als l'art pour l'art ontwikkelen. Die laatsten kan ik het best begrijpen.

Het moet mogelijk zijn, dacht ik toen ik een jaar of acht was, om een bepaald iets van grote omvang waarop je gesteld bent, een huis of een vakantie-oord, zodanig te comprimeren dat je het in je zak kunt steken, of op zijn hoogst in een doos of een koffertje zodat je het overal mee kunt nemen. Daartoe moet je een monster nemen van alles wat dit object van je genegenheid maakt tot wat het is en de verzameling ordelijk inpakken. Daarmee is dit gereedschap van de mystiek klaar voor gebruik.

Zo gedacht zo gedaan. Ik ging aan het werk in de tuin van het huis waar ik woonde, maakte een plattegrond, tekende het perspectief uit de vier windrichtingen en nam grondmonsters in aspirinebuisjes. Daarmee niet tevreden plukte ik wat bloemen en bladeren van de voornaamste gewassen die ik droogde. Ik ving een paar insecten die ik, nadat ze een natuurlijke dood waren gestorven, opborg in lucifersdoosjes waarin ik een ruitje van mica had gemaakt. Ten slotte haalde ik een lang geleden afgedankt driewielertje van de zolder, fietste langzaam het tuinpad af en keerde te voet terug waarbij ik de moeilijkste weg nam, door de struiken. Wat me onderweg was overkomen schreef ik op in een boekje. Alles ging in een schoenendoos en daarmee had ik de tuin draagbaar gemaakt.

Zo'n verlangen naar draagbare volledigheid is mystiek maar het is ook een vorm van eerzucht, de hoogste vorm zelfs want per slot van rekening is het een concurreren met de schepping; de drang namelijk om alles uit je eigen handen te laten komen en het daarin vast te houden. Voor kinderen is dat gemakkelijker - of wàs misschien. Ik weet niet of er nog kijkdozen gemaakt worden, de schoenendozen waarin je het universum naar je eigen smaak kon inrichten en dan door een kijkgat bezichtigen. Als de kijkdoos door de televisie en de computerspelletjes is verdrongen, beschouw ik dat als een verarming. Bestaat er nog belangstelling voor het Panorama van Mesdag? Toen ik het als jongen voor het eerst zag, in de eerste seconden van de aanblik, kon ik mijn ogen niet geloven. Nadat ik had bestudeerd hoe Mesdag het had aangepakt wilde ik naar huis om zelf ook een panorama te maken, een heel ander overigens. De televisie heeft misschien veel kindercreativiteit gesmoord maar als de virtual reality gemeengoed wordt komt het allemaal weer terug: de kijkdozen, de diorama's en de panorama's, alles, en dat op een manier die ons nog onverwachte kijkjes in de kinderziel zal geven.

Toegevend aan deze mystieke drang naar een particuliere almacht hebben we ook woorden tot onze beschikking. Het moet mogelijk zijn (heb ik weleens gedacht), één zin te schrijven waar alles in staat. Misschien is het daarvoor nodig om een dik boek te schrijven of een dun pamflet, maar plotseling staat er een reeks woorden die meer is dan een zin, namelijk een formule van het soort waarmee de alchemisten dachten dat ze goud konden maken. Bij Berthold Schwarz werd het buskruit. Als je er een godsdienstige uitleg aan zou geven, zou je zeggen dat dit niet toevallig was: de uitvinding van het buskruit als straf voor de drang naar almacht.

Ik kom terug tot mijn uitgangspunt. Veel meer gebeurt het dat men de behoefte heeft, zich een mens in een dusdanige volledigheid voor te stellen dat men hem of haar opnieuw schept. Voor beroemde mensen richt men na hun dood een museum op maar het kan ook anders, compacter, even nauwkeurig en met op z'n minst hetzelfde herscheppende resultaat. Een goed voorbeeld vind ik het boek dat over de dichter en vertaler Pé Hawinkels na zijn dood is verschenen: een selectie uit zijn werk, een verzameling foto's, bijdragen over deze opmerkelijke kunstenaar en dat alles op zo'n manier bij elkaar dat hij er tot op de dag van vandaag uit tevoorschijn treedt. Ik gebruik het plechtige woord, en niet 'komt', omdat de dood nu eenmaal niets achteloos heeft.

Vandaag is het bijna twee jaar geleden dat de dichter Kees van Kalmthout plotseling stierf. Ik kende hem redelijk goed en van tijd tot tijd denk ik met onverdeeld plezier aan hem. Behalve een poëtisch man was hij een onvermoeid plannenmaker, altijd met de opgewekte illusie die het plan de moeite waard maakt. Hij was ook schilder, hij maakte sculpturen en ontwerpen en hij schreef teksten. Dat deed hij allemaal goed omdat hij een vakman was en de waarheid in zijn eigen talent geen geweld aandeed.

Na zijn dood ontstond, zoals gebruikelijk, bij zijn familie en zijn vrienden de behoefte hem weer op te roepen. Dat hebben ze gedaan, op de bijzondere manier die ik hierboven heb beschreven: door zijn werk te gebruiken om hem in alle kanten van zijn veelzijdige geest te herstellen. Uit wat hij heeft nagelaten is een kijk- en leesdoos samengesteld: 'Zonder naam maar niet naamloos'. Het is een doos met het formaat voor twee ouderwetse langspeelplaten. De inhoud bestaat uit een cd met een aantal door hem gesproken teksten, twee reeksen afbeeldingen van zijn schilderijen en sculpturen in uitvouwbare vorm, een gedichtenbundel, een losbladige verzameling gedichten en beeldend werk, een bloemlezing aan hem gewijde artikelen en kritieken en het plan voor een sculptuur op het Amsterdamse Museumplein, getiteld In Concreto (waarvan ik de wordingsgeschiedenis goed ken omdat ik er een aandeel in heb gehad).

Deze doos is een voorbeeld van wat ik bedoel met de mystiek van de herschepping. 'Voortleven', wat een slechte sjablone is dat meestal. Hier is te zien wat het betekent als het ernstig wordt opgevat. Het is jammer dat hij niet weet hoe trots hij zou zijn geweest.

    • S. Montag