IRVING FISHER; Econoom, maatschappijhervormer, uitvinder en zakenman

Irving Fisher: a biography door Robert Loring Allen XV en 324 blz., Blackwell UK 1993, ƒ 73,70 ISBN 1 55786 305 9

Op 24 december 1912 verwierf Irving Fisher octrooi op het door hem ontworpen archiveringssysteem van indexkaarten. Deze uitvinding werd uiteindelijk een groot commercieel succes en maakte Fisher, vele jaren later, tot een vermogend man.

Dit ging niet zonder strubbelingen, want de fabrikanten van kantoorartikelen toonden geen belangstelling voor de vinding. Het succes kwam eerst toen Fisher, gebruikmakend van het vermogen van zijn echtgenote, zelf de commerciële produktie ter hand nam in een door hem gestichte firma: de Index Visible Company. Deze verkocht hij op 13 juni 1925 aan Kardex Rand voor 660.000 dollar plus een aandelenbelang in dit veel grotere bedrijf. Kardex Rand zou nog datzelfde jaar fuseren met Remington Rand, waarvan Fisher tot aan zijn dood in 1947 in de raad van commissarissen zitting zou hebben. Door deze transactie werd Fisher een rijk man, wiens vermogen in 1925 door zijn biograaf wordt geschat op 10 miljoen dollar.

Toch ontleent Irving Fisher, een Amerikaanse econoom die leefde van 1867 tot 1947, zijn grote faam niet aan deze commercieel succesvolle uitvinding of zijn andere technische vindingen. Fisher was in de eerste plaats een geleerde en grondlegger van de neo-klassieke traditie binnen de economische theorie in de VS rond de eeuwwisseling. Zijn wetenschappelijk werk was veelzijdig naar onderwerp en stijl. Hij hield zich bezig met zulke verschillende terreinen als de wiskundige economie, theorie van de rentevorming, geldtheorie, leerstuk van de indexcijfers, conjunctuurleer of begripsvorming van inkomen en vermogen.

Zijn wetenschappelijke stijl was zowel analytisch als empirisch, terwijl hij ook veel deed om de resultaten van zijn vak toegankelijk te maken voor een breed publiek, onder meer door op de mechanica geïnspireerde fysische modellen voor zijn economische denkbeelden te maken. Befaamd, al vertelt deze levensbeschrijving er niet veel over, is zijn op de wereldtentoonstelling in Chicago van 1892 getoonde 'price level machine' waarvan alleen de foto nog beschikbaar is. Ook het academisch onderwijs in de VS probeerde hij grondig te veranderen, zoals onder andere kan worden opgemaakt uit het zeer vernieuwende leerboek dat hij in 1910 het licht deed zien en waarin naast de gebruikelijke verbale tekst als noviteit ook cijfermatige en ingenieuze grafische informatie was opgenomen.

Hij wisselde zijn academische arbeid af met merkwaardige maatschappelijke activiteiten, waardoor hij niet alleen grote bekendheid verwierf bij zijn tijdgenoten maar ook naam vestigde als singuliere persoonlijkheid. Zijn biograaf, de kort voor het verschijnen van dit boek overleden emiritus economie-hoogleraar Robert Loring Allen uit Missouri, schat dat Fisher in zijn lange arbeidzame leven ongeveer tweederde van zijn tijd aan de wetenschap heeft besteed en het overige deel aan zijn andere maatschappelijke besognes.

YALE

Fisher, zoon van een predikant uit Saugerties-on-Hudson in de staat New York, was sinds 1892 tot zijn emeritaat in 1935 hoogleraar aan Yale University in het nabij New York gelegen New Haven. Hier ook studeerde hij tussen 1884 en 1891 wiskunde en economie. In 1891 promoveerde hij op de studie 'Mathematical investigations in the theory of value and price'. Met dit boek werd hij op slag beroemd onder gelijkgestemde vakgenoten, maar hij oogstte vooralsnog weinig sympathie bij de gevestigde orde. Hij werd junior-hoogleraar in de wiskunde en schreef voor zijn wiskunde-studenten een elementair wiskundig leerboek. Enige jaren later, toen er een vacature ontstond, werd hij aangesteld als hoogleraar in de economische faculteit van Yale, waardoor hij zich volledig kon wijden aan de economie die meer dan de wiskunde zijn grote professionele liefde was geworden. Tussen 1898 en 1903 verbleef Fisher wegens tuberculose in verschillende sanatoria, maar hij keerde in dat laatste jaar geheel genezen terug op zijn leerstoel in Yale.

Deze eenvoudige biografische feiten, zo laat Allen de lezer zien, zijn bepalend geweest voor Fishers verdere levensloop. Deze is rijk aan intellectuele en maatschappelijke bezigheden, maar kent ook een aantal vaste lijnen die telkens terugkeren. Deze vaste componenten in Fisher zijn de geleerde, de maatschappelijke activist - zijn biograaf spreekt van kruisvaarder - en de zakenman-uitvinder. Fisher speelde deze totaal verschillende rollen energiek en vol virtuositeit. Hierenboven is hij ook nog een echtgenoot die zijn vrouw - hij was tot haar overlijden in 1941 bijna 50 jaar met haar getrouwd - adoreert, zo blijkt uit de talrijke in het boek geciteerde fragmenten uit de brieven die Fisher tijdens zijn vele reizen aan haar schreef. En een vader die het zoon en dochter - de andere, oudste dochter stierf op haar twintigste - niet steeds gemakkelijk maakte wegens zijn goedbedoelde maar ongetwijfeld storende dominantie. De zoon, Irving Norton Fisher, publiceerde overigens in 1956 een zeer persoonlijke, met warmte geschreven biografie onder de titel 'My father, Irving Fisher'.

Fisher moet in een aantal opzichten een onstuimig en excentriek man zijn geweest met uitsluitend oog voor de zonnige zijde van zijn gedachten- en belevingswereld, waarin een kritiekloos vertrouwen in de medemens overheerst. De nuchtere evenwichtigheid van zijn uit een vooraanstaand Nieuw Engelandse familie afkomstige vrouw en haar wijsheid moeten, zo suggereert althans de biograaf, hem voor al te grote brokken in het dagelijks leven hebben behoed.

BLIJVENDE BETEKENIS

Overigens is de rol die Fisher speelde als wetenschapsbeoefenaar de meest blijvende geweest. Tussen 1891 en 1942 schreef hij dertig boeken, waarvan vele in tal van talen verschenen. Van deze boeken ging ongeveer de helft over economische of statistisch getinte onderwerpen; de rest betrof gezondheidsvraagstukken, verzet tegen roken, natuurbehoud, eugenetica, voedingsgewoonten, drankmisbruik, wiskunde of een nieuwe wereldorde dan wel -kaart, om slechts enkele onderwerpen te noemen.

Voor de economische wetenschap zijn volgens Allen zeker vier boeken van blijvende betekenis, waaronder zijn dissertatie uit 1891 niet de geringste is. Met dit boek werd de grondslag gelegd voor wat thans heet de wiskundige economie en voor de neo-klassieke synthese - Marshall deed dit in Engeland - die de economie het aanzien van een echte wetenschap wist te geven. Ook zijn boek over kapitaal en inkomen uit 1906, waarin voor het eerst in de geschiedenis een systematische behandeling van de begrippen inkomen en kapitaal wordt gegeven, maakt deel uit van dit viertal. Dit boek is gevoeglijk als de analytische grondslag voor de huidige systematiek van de nationale rekeningen en de statistische bepaling van het nationale inkomen te beschouwen.

De andere twee hoogtepunten uit zijn oeuvre zijn de monografie over de indexcijfers uit 1922 en het boek over de rentetheorie uit 1930. Van de laatste twee boeken is het eerste vooral een diepgaande reflectie op de constructie en het gebruik van indexcijfers. Dit lijkt een triviaal onderwerp. Echter, zo betoogt Allen, en ieder die zich in de geschiedenis van de indexcijfers verdiept heeft zal dit beamen, we moeten ons realiseren dat deze gewoonheid juist de grootheid van dit boek onderstreept, want het vormt ook het begin van een wijd verbreid praktisch gebruik. Zakelijk als Fisher was, zette hij tegelijkertijd met dit boek ook een instituut op - het Index Number Institute - dat zich toelegde op de vervaardiging van tal van indexcijfers en andere economische cijferreeksen voor de verkoop aan de dagblad- en weekbladpers.

Tot de nationale statistiekbureaus deze taak overnamen was Fishers indexcijfer-firma een uiterst succesvolle onderneming met tal van werknemers lange tijd gehuisvest in zijn ruime woning. Ter illustratie vermeldt Allen dat in 1929 de grondstoffenprijsindex van Fishers bureau maandelijks zo'n 5 miljoen krantelezers onder ogen kwam. Trouwens wie, die met de elementaire statistiek in aanraking is geweest, kent niet Fishers ideale indexcijfer?

Het boek over de rentetheorie is een zuiver academisch werk over de grondslagen van de renteverklaring. Dit gedachtengoed klinkt nog steeds door in de denkwereld van economen zoals het gebruik om de invloed van de inflatie op de rente aan te duiden als het Fisher-effect illustreert. Opvallend is dat Allen 'The purchasing power of money', dat wil zeggen Fishers beroemde boek over de omloopsnelheid en waarde van het geld uit 1911, niet rangschikt onder zijn vier beste economische werken. Toch berust Fishers faam als monetair theoreticus op dit eveneens prachtige werk, waar theorie en empirie zo doelmatig samenkomen.

Het is door dit werk dat de kwantiteitstheorie in ruime kring werd verbreid en de grondslag werd van het monetaire beleid in tal van landen. Om die reden zouden we Fisher thans zeker aanmerken als een monetarist. Monetaristen leggen, zoals bekend, onder meer een duidelijk verband tussen de expansie van de geldhoeveelheid en de mate van inflatie. Om deze prijsstijging - Fisher gaf aan inflatie de meer letterlijke betekenis van uitbreiden van de geldhoeveelheid - en het transactievolume uit zijn verkeersvergelijking te kwantificeren, hield hij zich overigens in eerste aanleg bezig met indexcijfers. Bij Fisher ging economische theorie steeds gepaard met empirische invulling. Hij wordt dan ook beschouwd als een pionier in de toepassing van statistische analyse op economische verschijnselen, een econometrist avant la lettre. Hij zou in 1930, samen met zijn Noorse collega Frisch en de latere Harvard-hoogleraar Schumpeter de thans zo befaamde Econometric Society stichten. Hiervan was hij de eerste president.

Maar Fisher beperkte zijn aandacht niet tot zuiver-economische vraagstukken. De tweede lijn in zijn leven bestond uit zijn kruistochten voor het naar zijn oordeel maatschappelijk nastrevenswaardige. Belangrijk gedurende zijn hele leven was zijn strijd voor de volksgezondheid in de Verenigde Staten en de persoonlijke gezondheid van de burger. Zelf was hij vegetariër die rookte noch alcohol gebruikte en leefde volgens strikte gezondheidsregels.

TENT

Aanvankelijk betrof zijn algemene zorg voor de volksgezondheid vooral de strijd tegen de tuberculose en inzet voor meer sanatoria. In het licht van zijn eigen ervaringen als jonge man en zijn in die tijd zeldzame volledige herstel verwondert dit niet. Hij verkreeg octrooi op een soort tent voor tbc-patiënten, maar commercieel werd dit niets. Echter, zijn strijdperk wordt gaandeweg breder en richt zich op kwesties als drankbestrijding en drooglegging (waarover hij veel publiceerde zonder dat drooglegging er toen kwam), aansluiting van de VS bij de Volkenbond (wat niet lukte, al baande Fishers vasthoudendheid mede de weg voor het Amerikaanse lidmaatschap van de Verenigde Naties na de Tweede Wereldoorlog), gezonde voeding (zijn boek hierover, voor het eerst verschenen in 1914, beleefde in 1946 een 21e druk en tijdens zijn leven werden er één miljoen exemplaren van verkocht, terwijl nadien nog 90 edities verschenen met een totale verkoop van vier miljoen stuks) of eugenetica of bevordering van raszuiverheid (de wellicht modieuze vraag of Fisher er op grond hiervan in de huidige ogen verdachte opvattingen op nahield, laat zijn biograaf gelukkig rusten).

Ook op het terrein van verandering van de economische orde, zoals de invoering van volledige dekking van de geldomloop of een dollar met een vaste koopkracht, het functioneren van de centrale bank in de VS of het meest wenselijke economische beleid tijdens het bewind van president Roosevelt (hij voelde niets voor vraagstimuleringspolitiek of de ideeën van Keynes) voerde Fisher kruistochten. In dat verband werd hij in augustus 1927 ontvangen door Mussolini en in 1932 voor een gedachtenwisseling verschillende malen uitgenodigd door president Roosevelt, zoals eerder al door de presidenten Hoover en Wilson). Afgezien van zijn gezondheidscampagnes die mede resulteerden in echte politieke aandacht voor de volksgezondheid, waren zijn meeste monetaire of andere campagnes vruchteloos. Zijn biograaf suggereert zelfs dat Fisher de neiging vertoonde als een Don Quichotte te vechten tegen windmolens, al staat vast dat een aantal door Fisher gestichte en vaak door hem persoonlijk bekostigde genootschappen vruchtbaar werk deed.

Naast wetenschapsman en maatschappijhervormer was Fisher ook uitvinder en zakenman. Dit niet zonder succes. Overigens was hij ook hier singulier. Zijn meest winstgevende uitvinding was het indexkaartensysteem; zijn meest desastreuze activiteit zijn beurstransacties. Deze maakten hem eerst schatrijk, maar brachten hem na de crisis van 1929 vrijwel tot de bedelstaf. Overigens profeteerde de econoom Fisher op 30 december 1928 dat 1929 een voorspoedig beleggingsjaar zou worden en meende hij later dat de depressie na de crash van oktober 1929 slechts van zeer korte duur zou zijn, een zienswijze die hem nimmer verliet. Vermoedelijk keerde Fishers onverstoorbare optimisme zich hier tegen hem. Zelfs de grote persoonlijke verliezen brachten hem niet van zijn stuk.

ONGEDURIGHEID

Overzien we Fishers leven, dan leert dit boek dat de hoofdpersoon een man was die het talent had zich gedurende korte tijd op één zaak te concentreren en deze grondig te analyseren. Dit bijzondere talent en zijn werkkracht verklaren Fishers enorme wetenschappelijke produktiviteit, al ligt de grondslag vermoedelijk in zijn godsdienstig milieu waarin de opvatting leefde dat een mens de plicht heeft zijn talenten ten gunste van de gemeenschap aan te wenden. De intellectueel Fisher bleef dit geloof van zijn jeugd zijn leven lang trouw.

Daarnaast bezat hij een zekere ongedurigheid die leidde tot een opvallende versnippering van zijn aandacht. Opvallend is dat Fisher in Yale geen echte stempel op de economische faculteit heeft weten te drukken, hoewel hij in het begin van zijn loopbaan zeker de ambitie heeft gekoesterd het aanschijn van het vak en de aard van het academisch onderricht in de VS grondig te veranderen. Hij bleef in grote mate een individualistisch ingestelde vakman zonder leerlingen, voor wie het hoogleraarschap in de eerste plaats een minimale bestaanszekerheid en een grote vrijheid bood.

Omstreeks 1915 kwam Fisher tot de slotsom dat beïnvloeding van de maatschappelijke ontwikkeling veel efficiënter kan geschieden via opiniërende en populaire dan via zuiver wetenschappelijke publikaties. Deze zienswijze kan vermoedelijk niet los gezien worden van het feit dat hij wetenschappelijk bij zijn collega-hoogleraren in Yale nauwelijks weerklank vond. Toch excelleerde hij in beide genres publikaties, maar de politici, zo was zijn overtuiging, luisteren terecht vooral naar de stem des volks. De wetenschap bereikt de kiezer nimmer en daarom diende volgens Fisher de wetenschap popularisering niet te ontlopen. Daarenboven was hij een onverbeterlijke optimist, met een naïviteit waarvoor zijn naaste omgeving hem moest behoeden. Het aardige in Allens boek is dat het ook deze kanten belicht.

Dat Fisher alom erkenning kreeg moge blijken uit het diner dat Harvard hem bij zijn zeventigste verjaardag aanbood of uit de feestbundel die in 1937 voor hem werd uitgebracht met onder anderen de in Nederland vooraanstaande monetair econoom G.M. Verrijn Stuart en de voorzitter van Fed als auteurs. Fisher is ongetwijfeld de meest invloedrijke Amerikaanse econoom geweest van de eerste helft van de twintigste eeuw. De Keynesiaanse slagschaduw doet ons deze intellectuele grootheid licht vergeten. Dit mooie boek biedt echter een overtuigend tegenwicht.

    • M.M.G. Fase