HUIZINGA

In de boekenbijlage van 30 oktober neemt F.B.J. Kuiper J. Huizinga in bescherming tegen de mededeling van Bastiaan Bommeljé, dat velen het 'betreurd zullen hebben dat hij (Huizinga) in 1940, na de Duitse inval, bijna sprakeloos bleef''. Niemand had zich in die omstandigheden, zegt prof. Kuiper terecht, 'openlijk kunnen uitspreken zonder onmiddellijke gevolgen voor zijn persoon''. Hij verklaart dan: 'Alleen in de kerken kon voor de goede verstaander (...) meer gezegd worden.''

Huizinga zei het echter wel degelijk buiten de kerk, namelijk in de (tijdelijk niet 'Koninklijke') Akademie van Wetenschappen: Amsterdam, april 1941. Men had de stichting, een-en-een-kwart eeuw eerder, van het 'Koninklijk Instituut', waarvan de Akademie de opvolgster is geweest, aangegrepen om een plechtigheid te organiseren, waar Huizinga een van de twee redevoeringen hield. Hij sprak onder meer over de betekenis die buitenlandse wetenschapsbeoefening had gehad voor de onze, en ruimde met recht een aanzienlijke plaats in voor de invloed van Duitsland. Hij betreurde alleen de eenzijdigheid, 'die in de negentiende eeuw was gaan heerschen'' en 'den internationalen horizon'' bedreigde, 'die voor ons volk levensvoorwaarde is''. Hij eindigde met het onbegrijpelijk te noemen dat een (foute) collega in september 1940 de Nederlander van 'een verbluffende Weltfremdheit'' had beschuldigd, veroorzaakt doordat 'het Nederlandsche volk bijna een eeuw lang geestelijk als op een eiland leefde, dat slechts uitzicht bood naar het Westen''. (Zie J. Huizinga, Verzamelde Werken VIII 461.)

Kort na zijn gedenkrede bracht ik Huizinga een bezoek om studieredenen. Ik begon met hem mijn respect te betuigen voor wat hij had durven zeggen bij die openbare gelegenheid. Zijn enige reactie was: 'Hm. Ze kunnen nog meer krijgen.''