Hoe sterk toch het merk

Daar moet je toch zo langzamerhand genoeg van krijgen, van het vuil en het lawaai, het vage dreigen van jonge, donkere gezichten; van de armoede en de waanzin van mensen die op straat wonen in een zwachtel van oude lappen en karton, van het gebedel van alcoholici, aids-lijders en veteranen die de trein naar huis gemist hebben; genoeg van New York dus.

Van die stad had ik na al die tijd wel mijn bekomst, dacht ik. Maar nu ik er nauwelijks een jaar later terug ben voel ik me meteen op mijn gemak, monter en benieuwd, en bij voorbaat met heimwee naar de plek waar ik nu toch nog rondloop.

Het was goed wandelweer, een zeebries waaide door de dwarsstraten en onwillekeurig begon ik aan mijn vaste ronde. Van East Houston sloeg ik Broadway in, bekeek de etalages van de klerenwinkels, ging kijken bij Stereo Exchange, bladerde bij Shakespeare & Co wat in de boeken die deze week de aandacht krijgen, liep terug om bij Dean & De Luca dadels te kopen en kwam terecht bij Urban Outfitters, waar de studenten uit de buurt hun kleren kopen. Als pakkendrager heb ik daar niet veel te zoeken, maar ik blijf graag op de hoogte.

Er kwamen twee jongens binnen, overduidelijk met kwaad in de zin, als wandelende gevaartekens. Ze waren er zelf wat giechelig onder. De twee lieten de koopwaar door hun handen gaan, pakten wat op en legden wat weg, maakten rommel op de planken om de toeschouwers in verwarring te brengen. En toeschouwers waren er, ik op kijkafstand, en een waakzame verkoopster die ze op twee meter volgde. Eén van het stel had een jasje in handen en pulkte het plastic klemmetje los dat bij de uitgang een elektronisch signaal moet activeren. Maar echt kwaad hadden ze voor zover ik zien kon nog niet gedaan, toen van alle kanten personeel opdook en het tweetal in een wijde boog omringde. Kennelijk was onhoorbaar alarm geslagen en het bleef stil terwijl de kring van verkopers de jongens langzaam naar de uitgang dreef. Brutaal als ze waren hielden ze zich goed, maar de gêne sloeg van ze af en traag schuifelden ze de winkel uit. Zij waren bruin, maar sommige verkopers ook, of zwart, of blank. De scheidslijnen liepen hier kennelijk niet tussen de rassen, maar tussen achttienjarigen met en zonder baan, met en zonder geld om uit te gaan en kleren te kopen.

Weer buiten kreeg ik de twee pas goed in beeld. Ze hadden hun petjes achterstevoren, droegen hun jekkers over een trui, waaronder weer een hemd zat en nog een hemd, en al die kleren bloesden in lagen over hun slobberbroek waarvan de pijpen waren weggestopt in hoge gympies halverwege dichtgeknoopt, want zo ziet dat er dit jaar uit. Een dracht in de breedte, je moet er slank voor zijn en liefst een beetje rijzig. Deze jongens waren eerder stevig van gestalte. Ze stonden wat te sjorren aan hun kleren en het was te zien dat ze zich heel even geen raad wisten. Toen maakten ze rechtsomkeert en gingen op weg, naar nieuwe kwade streken.

Het gaat daar in New York wel harder toe. Op veertiende straat heb ik eens een winkeldiefje dat betrapt werd een mes zien trekken en meteen haalden de bewakers naar hem uit met honkbalknuppels. Net buiten de koophal bleef hij staan schelden, want hij wist dat men hem in Amerika niet zomaar zou neerslaan wegens poging tot diefstal. Ondertussen was het winkelend publiek alle kanten uitgevlucht en had al dekking gezocht uit angst voor een schietpartij. Dat is allemaal niets bij de berichten over misdaad en geweld die dagelijks in de kranten staan, maar zelf heb ik in al die jaren nauwelijks narigheid meegemaakt en de meeste van mijn kennissen evenmin.

Die stelende jongens zijn op merkartikelen uit. Nike en de andere gympen zijn alweer vergeten (bij de vuilnis dus, die dingen). Dit seizoen zijn suède werkschoenen van het merk Timberland aan de orde, met donkere boorden, dikke rubber zolen en een met staal versterkte neus. De firma Timberland, die zich al honderd jaar specialiseert in werkkleding, is daar niet enthousiast over, omdat ze haar klantenkring van werklieden en buitenlui niet kwijt wil raken voor een kortstondige flirt met de mode onder randfiguren en kruimeldieven waar dat werkmansvolk niet van gediend is. Dat heb ik uit de krant.

Die merken zijn belangrijk, heel belangrijk. Marx is voorgoed uit de mode, maar in de mode heerst zijn warenfetisjisme meer dan ooit. Onder zwarte kinderen uit de achterbuurten is Polo van Ralph Lauren de rage. Maar wie daar op straat een jekker van Laurent draagt loopt groot gevaar: onder bedreiging met mes of revolver worden die jasjes geroofd. Het stuk ongeluk dat een medescholier zo'n kledingstuk afpakt loopt zelf veel erger risico: een gevangenisstraf van maanden of zelfs jaren en dat is in Amerika een hel omdat de gevangenen als kwelduivels aan elkaar zijn overgeleverd.

Kleren zijn in de VS heel goedkoop. Haast niemand hoeft er armetierig bij te lopen. Maar door de merkenrage verandert die overvloed in schaarste. Geen hempje, al is het nog zo goed geknipt en fraai van stof, voldoet als er niet de goede merknaam in genaaid is. Vreemd genoeg kan zo'n firmanaam in trek raken zonder dat de fabrikant daar aan te pas komt. Timberland of Polo richten zich helemaal niet op de markt van zwarte teenagers en juist daarom eigenen die zich deze merken toe.

Dat is een onteigening van de middenklasse door militanten uit de onderklasse: niet van de produktiemiddelen maar van de consumptiegoederen. Ze proberen al niet meer om diploma's te behalen en een burgermansbaan te krijgen, maar van het algemeen Amerikaans consumptiepakket laten ze zich niet uitsluiten. Er zit iets van hoon in hun pronken met de dracht van de tegenstander en het is hun wraak dat zij die kleren niet braaf en zuur verdiend hebben, maar bij ekaar geschooierd of gepikt, dus buitgemaakt.

Bij Paragon op Union Square verschijnt opeens een zwerm rolschaatsrijders in rennerskleren en met zwarte mutsen tot over de ogen. Voorop gaat een stoottroep van opgeschoten jongens, daarachter komt een peloton van ongrijpbare kleintjes. Ze zwenken de draaideur in en waaieren uit door de winkel. De bewakers vormen een cordon en jagen ze terug. Ze draaien om hun as en wieken naar buiten, op weg naar nieuw vertier en snelle prooi.

Dit gaat zo langzamerhand de winkeldiefstal ver te boven. Er is daar in New York een stammenoorlog uitgebroken tussen gevestigde winkeliers en nomaden uit de randgebieden.