Ger Harmsen: 'Wij waren de mest op de velden der toekomst'

Ger Harmsen (71) is emeritus-hoogleraar dialectische filosofie en historische sociologie. Hij was in de jaren vijftig een prominente CPN'er, maar kreeg grote moeilijkheden met de partijleiding. Tot in de jaren zeventig, toen hij hoogleraar in Groningen was geworden, werd hij verketterd door de CPN. Deze week verschijnt zijn autobiografie: 'Herfsttijloos'. Daarin komt hij naar voren als een permanente 'buitenstaander', die steeds weer uit een bepaalde kring gestoten wordt, of het nu de lagere school, de CPN of het universiteitsmilieu is. Een openhartig boek over vrouwen, vrienden en vijanden.

Hij wil meteen weten wat ik van zijn autobiografie, Herfsttijloos, vind. Overgedetailleerd, zeg ik, maar de gedeelten over zijn CPN-tijd, de universiteitsjaren en zijn privé-leven zijn boeiend. Het oordeel verbaast hem niet. Ook met de redacteuren van zijn uitgeverij, SUN, heeft hij pittig gediscussieerd over de lijvigheid - ruim zevenhonderd pagina's - van zijn boek. Aanvankelijk was het manuscript nog omvangrijker. Hij kon er zich niet toe zetten nòg meer te schrappen.

U duikt vooral erg diep in de geschiedenis van uw familie.

'Als historicus van zeg maar de arbeidersklasse zie ik het als mijn taak om al de mensen die anoniem gebleven zijn, alsnog een stem te geven in hun strijd om het bestaan. Mijn grootouders trokken naar Amsterdam in een periode dat honderdduizenden uit de provincie naar Amsterdam en Rotterdam trokken. Ik heb willen beschrijven wat die mensen is overkomen. Het is ook sociaal-historisch van betekenis.''

U bent ook opvallend openhartig over uw privé-leven, hoewel allerlei mensen nog leven.

'Ik ben over mijzelf zo openhartig mogelijk geweest, op het indiscrete af, en ik heb geprobeerd om over de mensen om mij heen zo discreet mogelijk te zijn. Maar soms moet je nu eenmaal duidelijk maken waarom de dingen zo gelopen zijn, ook in je liefdesleven. Een autobiografie schrijven betekent per definitie schrijven over anderen, want je leven bestaat uit de omgang met hen.''

U gaat vooral nogal ver in het beschrijven van de teloorgang van uw drie huwelijken.

'Ik heb het aan mijn kinderen en ook aan een van mijn ex-partners laten lezen. Dat heeft tot wijzigingen in de tekst geleid. Met het resultaat is iedereen ingenomen.''

Welke van uw ex-partners heeft u het laten lezen?

'De tweede.''

Maar zij komt er ook het beste af. Vooral bij de eerste ex-partner neemt uw boek de vorm aan van zo niet een afrekening dan toch wel een rechtvaardiging.

'De breuk heeft zowel in het eerste als het derde geval vooral aan mij gelegen, en ik vind dat ik dat ook wel laat blijken. Dat neemt niet weg dat ik de eerste keer - in 1951 - door een diep dal ben gegaan toen mijn vrouw mij verliet. Renate Rubinstein heeft iets dergelijks prachtig beschreven. Toen ik haar boekje daarover gelezen had, begreep ik mijn verdriet van destijds beter.

'Het probleem bij een echtscheiding is dat degene die aan zijn lot wordt overgelaten, zich niet alleen zijn toekomst, maar ook zijn verleden ziet afgenomen. Alles wat je daarin leuk hebt gevonden, blijkt voor de ander opeens niet zo waardevol te zijn geweest. Die afschuwelijke ervaring heb ik proberen te beschrijven. Ik ben nooit meer zó van de kaart geweest als na die eerste breuk. Ik heb me toen ook voorgenomen me voortaan niet meer zo volledig te geven.''

U suggereert in uw boek dat uw eerste vrouw u liet vallen omdat ook de CPN dat toen deed.

'Dat had met elkaar te maken, ja. Ik was in de ogen van mijn vrouw niet zo'n goede communist als ze had gedacht. Waarom zou ze dan nog langer offers brengen en bij mij blijven? We waren bovendien nog zo jong toen we elkaar leerden kennen. Zij heeft vermoedelijk nooit zo van mij gehouden als ik van haar. En dan gaat ook een rol spelen dat de partij ons wel graag uit elkaar zag gaan.''

U heeft een vrij woelig liefdesleven gehad.

'Later, later. Hoe ouder, hoe amoureuzer - zo is het wel met mij. Dat had ook te maken met het culturele klimaat van de jaren zeventig. Er ontstonden gemakkelijker verhoudingen, soms zelfs meerdere tegelijkertijd. Daar heb ik mij goed in kunnen vinden.''

Ik kom het ook al eerder in uw leven tegen. U schrijft dat u zich nergens zó over schaamt als over de relatie die u als bijna 40-jarige leraar in Zierikzee had met een leerlinge uit de eerste klas. Hoe oud was dat meisje?

'Dertien... Het was een platonische relatie, maar dat doet er in de liefde eigenlijk niet zoveel toe. Door brieven en gesprekken kun je ook een intieme omgang hebben. Zij ging daar zó in op dat ze aan mij gebonden raakte. Haar zus en een leraar Nederlands hebben ingegrepen. Ze hebben haar wijs gemaakt dat ik niets meer van haar wilde weten, wat haar zeer geschaad heeft. Ik heb er veel spijt van, ik had wijzer moeten wezen.

'Ik ben inderdaad amoureus van aard, maar in mijn CPN-tijd heb ik als een monnik geleefd. De partij nam me te veel in beslag. Ook andere bezigheden hebben in sommige perioden van mijn leven volledig beslag op mij gelegd. Denk maar aan mijn liefde voor de natuur. Een mos - ik verzamel mossen - kan bij mij dezelfde ontroering oproepen als een vrouw.

'Het is moeilijk te zeggen waar die schoonheidsontroering vandaan komt. De een heeft het met muziek, de ander met kathedralen. Bij vrouwen heeft mij altijd de sfeer om hen heen aangetrokken. Hartelijker, directer, intiemer dan bij mannen. Bij een vrouw kun je meer jezelf zijn, je hoeft niet flink te doen, je kan ook gewoon een klein jongetje zijn. Ik kan mij zeer snel helemaal geven en ik kan ook goed luisteren - de meeste mannen proberen de vrouw toch vooral de wereld uit te leggen. Met enkele mannen heb ik ook zo'n goede relatie gehad: Ed. Hoornik, Daan Goulooze, Chris Beekman.''

Zijn kinderen zijn inmiddels de deur uit, sinds vijf jaar woont hij moederziel alleen in het tamelijk godverlaten De Knipe, een gehucht bij Heerenveen met een rode historie. Twintig jaar geleden kwam hij hier met zijn gezin wonen. Ook de nog veel te onbekende schilder Jan Mankes (1889 - 1920) heeft er gewoond en gewerkt. De vrijstaande arbeidershuisjes langs de Schoterlandse Compagnonsvaart liggen er nog net zo bij als op de prachtige schilderijen van Mankes. Honderdvijftig meter landinwaarts woont Harmsen in een kleine boerderij - alleen omringd door gras, bomen en wind, deze dag bezwangerd met veel regen.

In zijn huis hangt de geur van oude boeken. Hij bezit ongeveer 20.000 boeken - op het gebied van de sociale geschiedenis vermoedelijk de uitgebreidste privé-collectie van Nederland. Daarnaast heeft hij nog kasten vol met gedroogde mossen uit heel Europa. In zijn sober ingerichte woonkamer vallen de vele familiefoto's op, met een ereplaats voor zijn jonge vriendin die ver van hem vandaan woont.

'Ik ben graag alleen'', zegt hij. 'Ik kan hier weken in mijn eentje zitten zonder me eenzaam te voelen. Ik ga wel met andere mensen om, maar ik voel me dolgelukkig als ik in deze kamer zit. Ik ben van nature een opgewekt iemand. Dit is de mooiste tijd van mijn leven. De kinderen de deur uit, geen universitaire verplichtingen meer. Ik voel me tot rijpheid komen. Pas tegen mijn zeventigste kom ik er achter hoe alles zo'n beetje in elkaar zit. Ik kijk beter om me heen, vroeger zag ik te weinig van de wereld.''

Toch heeft u in 1988, na uw afscheid van de universiteit, last van depressiviteit gekregen.

'Zes weken maar, daarna is het nooit meer teruggekomen. Na het emeritaat werd ik overvallen door gevoelens als: wat stelt het eigenlijk allemaal voor, al die boekjes van je, en de beweging waarvan je lang deel bent geweest, bestaat ook amper meer. Ik ben uit die crisis gekomen door me voor te houden dat het allemaal geen zin hoeft te hebben als het maar leuk is wat je doet.''

Uit zijn autobiografie rijst hij op als een eenling, een outcast misschien zelfs - iemand die steeds weer uit een bepaalde kring gestoten wordt, of het nu de lagere school is in de Indische buurt van Amsterdam, de CPN of het universiteitsmilieu.

'Ik kies liever voor het woord 'buitenstaander', want ik heb er niet zo onder geleden. Er treedt snel gewenning op. Zelfs op die lagere school, waar ik zo getreiterd werd, vond ik het vanzelfsprekend wat er gebeurde. Ik bouwde mijn eigen droomwereldje op. Ik heb het altijd wel prettig gevonden om een buitenstaander te zijn, juist omdat ik graag alleen ben.''

Zo is ook uw fascinatie voor de natuur begonnen toen u nog een jongen was?

'Het was een compensatie voor wat de maatschappij mij onthield. Je kunt het met de maatschappij niet zo goed vinden, je beweegt je daar onhandig in en dan ontdek je iets waardevols buiten de maatschappij. Die fascinatie is altijd gebleven, zelfs nog toegenomen. Het laatste wat ik zal doen voor ik het hoofd neerleg, is het plukken van een bloem. Het is het onaandoenlijke van de natuur dat me boeit. Ik lig tijdens de oorlog in een Duits ziekenhuis dat gebombardeerd wordt, terwijl de merels vrolijk doorzingen.

'Het opgaan in de natuur grenst aan een religieuze ervaring, het gaat boven jezelf uit. Nee, godsdienstig ben ik niet, ik ben atheïstisch opgevoed. Het heeft meer te maken met je verbonden voelen met het totale leven.''

Zijn vader was timmerman en werd pas veel later, na een periode van werkloosheid, handelaar in winkelmachines. Zijn praktijken grensden soms aan oplichterij, wat de jonge Ger nog meer van het zakenleven vervreemdde. Een eigenzinnige, autoritaire vader met wie Ger in zijn jeugd veel contact had, en een introverte moeder.

'Ik dank aan die jeugd een soort basisgevoel van zekerheid. Ik ben niet iemand die voortdurend bevestiging nodig heeft van zijn omgeving, ik kan het in mezelf vinden. Ik heb dat vooral aan mijn vader te danken, hoewel hij veel zelfverzekerder en vlotter was dan ik zelf ben geworden.''

U beschrijft uzelf als iemand die op het sadistische af mensen kan treiteren.

'Het heeft te maken met een gevoel van machteloosheid in de omgang met de ander. Wanneer je iemand niet kunt bereiken, treden dergelijke mechanismen bij mij in werking. Het is iets dat sterker is dan ikzelf.''

Enerzijds bent u positief over uw ouders, anderzijds constateert u dat u 'moreel en politiek niets van huis heeft meegekregen'.

'Dat lijkt me niet erg uniek. Het nastreven van morele maatstaven is toch een soort luxe, het houdt de mensen in de onderste lagen van de samenleving niet zo bezig. Het gaat daar om: hoe overleven we? Mijn vader was altijd bezorgd dat ik me in de nesten stak. Idealen vond hij maar onzin. Hij heeft wel eens CPN gestemd, maar dat was uit opportunisme. Hij was een sociaal-darwinist: de sterkste won. De oorlog zag hij als een natuurwet, het ruimde weer wat mensen op. Al heel jong begon ik me daar in discussies tegen te verzetten. Ik voelde me sterk aangetrokken tot het anti-militarisme.

'Het ouderlijk gezin was niet rood, maar mijn omgeving wèl. De hele buurt koos voor de SDAP, de CPN of Sneevliet. Al op de lagere school gingen kinderen op de vuist voor politieke kwesties. Pas later, op de handelsschool, begon ik me er meer voor te interesseren.''

Hij was een middelmatige leerling. Nog altijd ziet hij zichzelf als iemand met middelmatige gaven. 'Ik heb alleen door keihard te werken iets bereikt.'' Hij werkte tot in de oorlog enkele jaren als fabrieksarbeider. Zijn intellectuele interesse ontwaakte pas - onder invloed van een meisje - halverwege de oorlog toen hij besloot de HBS te volgen. Hij was toen al 21 jaar.

Heeft u aan uw eenvoudige afkomst een minderwaardigheidscomplex overgehouden?

'Dat is niet het goede woord. Ik weet wat ik kan en niet kan. Maar als iemand iets vervelends tegen mij zegt, denk ik nog steeds: dat doe je omdat ik een arbeider ben. Nonsens natuurlijk, want ik ben een intellectueel, een hoogleraar. Er is ook vele jaren in mij een diepgewortelde rancune geweest tegen intellectuelen. Dat werd gevoed door mijn vader, later door de CPN met haar arbeiderisme.

'Als grote handicaps ervaar ik nog steeds dat ik mijn talen niet spreek; dat ik de flair mis waarmee anderen zich bewegen; dat ik niet de snelle intelligentie heb die de intellectueel typeert; dat ik niet voldoende humor en zelfspot bezit; dat ik heel slecht speech - ik doe dat wel, maar om met mijn leermeester Presser te spreken: dan is de maaltijd voor mij al bedorven.''

De oorlog heeft hem volwassen gemaakt, meent hij. Hij bedoelt vooral: de jaren dat hij in Duitsland moest werken. Tuinarbeider in Keulen. 'Mijn vader vond het vanzelfsprekend dat ik ging. Hij was bang dat hij anders zou worden opgepakt. Onderduiken was in onze kringen zeer ongebruikelijk. Daar had je geld en relaties voor nodig.

''Ik heb in Duitsland zoveel gruwelen meegemaakt - die heb ik maar niet beschreven. De geallieerde bombardementen waren des te gruwelijker omdat je er de zin niet van inzag. Wat had het terroriseren van de burgerbevolking te maken met het winnen van de strijd? Je had het idee dat je betrokken raakte bij mondiale golven van geweld waarbij miljoenen mensen zouden sneuvelen. Ik zag het mezelf ook niet overleven. Ik ben door ziekte op het randje van de dood geweest. Die jaren hebben mijn kijk op de wereld veranderd. Een heleboel dingen waren opeens niet meer belangrijk.''

Het resulteerde bij u niet in cynisme: u werd in 1946 lid van de CPN.

'Er ontstond rond de bevrijding een golf van idealisme. Het fascisme was verslagen, wij zouden het anders doen. Ik bewoog me in kleine linkse clubs, maar dat bleven te veel luchtkastelen. Ik wilde bij het gewone werkende volk horen, en dus was de keus eenvoudig: de CPN, de grootste partij toen van Amsterdam. De CPN had de echte arbeiders achter zich, en dat is heel lang zo gebleven.''

De hondetrouw aan de partij blijft iets onbegrijpelijks houden. U beschrijft hoe u op een dag op straat met 'De Waarheid' bleef colporteren, zelfs toen u hoorde dat er een aanval van Marcus Bakker op u instond.

'Het was een wegcijferen van jezelf. Het was niet belangrijk wat jou overkwam. De beweging ging voor, wij waren de mest op de velden der toekomst. Het duurde even voordat je ontdekte dat het niet toevallige ontsporingen waren, maar dat het om het systeem zelf ging.''

Hoe was het mogelijk dat mensen als u zo lang achter een evident nare man als Paul de Groot bleven staan?

'Ik heb het er nog met Gerben Wagenaar over gehad, kort voor zijn dood. Hij verweet het zich nog tot op het laatst vreselijk. Niet terecht, vind ik. De Groot stak na de oorlog - een deel van het kader was uitgeroeid - met kop en schouders boven de anderen uit. Het is te simpel om hem alleen maar te ridiculiseren. Hij was een persoonlijkheid en een man van grote intellectuele gaven. Bovendien speelde trouw aan de wereldbeweging bij ons een grote rol.

'Voor andere informatie waren wij niet toegankelijk. Boeken als van Koestler beschouwde je als pure laster van gekwetste intellectuelen. Wat andere kranten dan 'De Waarheid' schreven, geloofden wij niet. Ach, het is alleen maar te begrijpen als je de verwoestende geestelijke werking van de Koude Oorlog hebt meegemaakt. Er waren twee kampen en de kloof was onoverbrugbaar. Vergeet ook niet dat een aantal top-intellectuelen, zoals Shaw, Wells, Eluard, Neruda, alles goedpraatten. Dat waren mensen tegen wie ik opkeek. Het is misschien een zwakte in mijn karakter: ik mag graag mensen bewonderen.

'Daar kwam bij dat je in Nederland een echte outcast werd. We hebben het de laatste jaren wel veel over de Stasi, maar de BVD was ook goed in vervolgingen. Toen ik in de jaren vijftig na mijn breuk met de CPN een bestaan als leraar wilde opbouwen, kon ik geen baan krijgen. Het lukte ten slotte alleen in Zierikzee dank zij een flinke directeur die lak had aan de BVD.''

De anti-Stalin-rede van Chroetsjov in 1956 stortte Harmsen in een morele crisis. Het jaar daarop nam hij als partijfunctionaris ontslag. Maar de partij liet hèm niet met rust. In de jaren zeventig vergalde een golf van jonge CPN'ers en CPN-studenten op de faculteit Sociale Filosofie in Groningen zijn bestaan als hoogleraar. Hij werd 'NAVO-professor' en 'verrader van de arbeidersklasse' genoemd. Het greep hem meer aan dan de aanvallen van Bakker c.s. uit de jaren vijftig. Hij raakte er overspannen van.

'Het deed zich heel direct in mijn omgeving voor. Ik herinner me dat ik eens iets voor een onderzoeksprogramma voorstelde en dat niemand een woord zei. Ik werd volslagen genegeerd. Doodverklaard worden is erger dan openlijk bestreden worden. Ik werd er razend van, ik heb ook eens iemand aangevlogen.''

Toch had u zich eerder, als wetenschappelijk medewerker aan de Amsterdamse universiteit, met de studenten van de Politiek-Sociale Faculteit tegen professor Daudt opgesteld die fel opponeerde tegen alle nieuwlichterij.

'Daudt was te extreem. Hij sloot zich radicaal af van alles en begon een soort staking op kosten van de gemeenschap. Nee, ik vind niet dat hij gelijk heeft gekregen. Ik heb mij ook tegen veel gekte verzet, maar de eerste generatie van de studentenbeweging, de Siep Stuurmannen zal ik maar zeggen, waren voortreffelijke, inspirerende studenten.''

Sommigen zeggen dat hij in zijn hart een marxist is gebleven. Zelf noemt hij zich niet meer zo. 'Ik heb afscheid genomen van de gedachte die essentieel is voor het marxisme: dat de strijd van de arbeidersklasse uitloopt op het socialisme. Na de rede van Chroetsjov had het marxisme als systeem voor mij afgedaan. Het was volgens mij het systeem dat Stalin liet ontsporen.''

Op welke manier?

''Door het ontbreken van burgerlijke normen. Het doel stond zozeer voorop dat alle middelen geoorloofd waren. Dat gold ook voor de CPN. Er werd vooral gedacht in termen van vrienden en vijanden. Heimelijke vijanden waren er ook veel binnen de partij - en die moesten allemaal ontmaskerd worden. Een privé-leven bestond er niet, de partij bespioneerde iedereen: van hoog tot laag. Verderfelijk. Er konden zulke ingewikkelde situaties ontstaan dat je ook van jezelf ging geloven dat je niet deugde.''

U heeft ooit gedacht dat je mensen kon opvoeden tot een socialistische gemeenschapszin.

'Daarom is Joegoslavië voor mij zo'n schokkend gebeuren. Mensen van verschillende nationaliteiten leven vijftig jaar redelijk vreedzaam naast elkaar en wat doet de socialistisch opgevoede, jongere generatie? Ze schieten elkaar overhoop.''

Waar gelooft u, politiek gesproken, nog in?

'Een sociaal-democratisering van het kapitalistische systeem is blijkbaar het maximaal haalbare. Daar blijf ik me voor inzetten. In die zin ben ik sociaal-democraat. Dat we een totaal alternatief voor de bestaande maatschapiij kunnen bieden, is een droom geweest. Ik zeg niet: een funeste droom. Ik denk dat de maatschappij wel degelijk anders georganiseerd kan worden, maar het zit er niet in. Ik vrees dat het bestaande systeem - afgezien van wat idyllische plekjes in West-Europa - een verwoestende kracht is voor de natuur en voor de werkende mensen. Ik heb geen vertrouwen in het kapitalisme. Het is niet acceptabeler geworden doordat het communisme zo afschuwelijk gefaald heeft. De duistere krachten zullen vrij spel krijgen in de opkomst van het nationalisme, racisme en fundamentalisme. En Rusland gaat verschrikkelijke tijden tegemoet met criminele bendes en groei van het antisemitisme.''

Uw boek bevat een aanvechtbare passage waarin u het Amerikaanse imperialisme en de stalinistische terreur en massamoorden in de Sovjet-Unie op één hoop gooit.

'Ze zijn historisch niet identiek, maar voor de slachtoffers maakt dat niet veel uit. Over het Amerikaanse optreden in Vietnam wordt nooit meer gepraat.''

In de Sovjet-Unie werd ook de eigen bevolking onderdrukt - is dat niet het essentiële verschil?

'Het is niet goed te praten, maar de aantallen slachtoffers zijn in het westen overdreven. Het zijn er geen veertig miljoen geweest. Kijk eens hoe de Amerikanen interveniëren in Afrika, hoe ze Cuba uitgemergeld hebben, hoe ze in eigen land de doodstraf toepassen...''

Ik vraag hem of hij zich nog op zijn gemak voelt in de PvdA, de partij waar hij zijn toevlucht zocht na zijn afscheid van de PSP. Hij begint uitvoerig te mopperen op de steun van de PvdA aan de strijd tegen Irak. Overweegt hij de partij te verlaten? Na lange aarzeling: 'Ja, ik pieker er voortdurend over.''

Hij zoekt nog steeds 'de oude kameraden' op. 'Om dingen uit te praten. Ik heb een band met ze. Het zijn mensen die alles geofferd hebben en nu met lege handen staan.'' Nee, Bakker en Joop Wolff zijn er niet bij. 'Zij hebben nooit echt publiekelijk afstand genomen van wat ze verkondigd hebben.''

    • Frits Abrahams