Een topografisch servies in Het Loo

Tentoonstelling: Het Meissen-servies van Stadhouder Willem V op Het Loo. Paleis het Loo, Amersfoortseweg, Apeldoorn. Tot 14 maart 1994. Dagelijks, behalve maandag en eerste kerstdag van 10-17. Catalogus door Abraham L. den Blaauwen, ƒ 24,75.

Stadhouder Willem V (1748-1806) was erg gesteld op het Meissen-eetservies dat hij in 1772 cadeau kreeg van de Verenigde Oostindische Compagnie, en dat momenteel voor een groot deel tentoongesteld wordt in Paleis Het Loo in Apeldoorn. Toen de weifelende en besluiteloze vorst in januari 1795 voor de aanstormende Franse troepen de wijk naar Engeland nam, voerde hij het in zijn bagage mee. Een 435-delig servies lijkt niet het allereerste waaraan een in ballingschap gaande vluchteling denkt, vooral niet als de overtocht, zoals de geschiedenis vermeldt, per eenvoudige visserspink gebeurde.

Maar Willem V had grote belangstelling voor topografie en elk onderdeel van het bewuste servies is gedecoreerd met stads- en dorpsgezichten in Nederland en Java. Het geheel herinnerde hem aan betere tijden, toen hij nog een zekere macht over zijn gewesten uitoefende.

Topografische voorstellingen op een snuifdoos of een theepotje kwamen vaker voor, maar als thema voor een uitgebreid servies was het begin jaren zeventig, toen de VOC de bestelling in Meissen plaatste, een nieuwtje. Het servies heeft overigens een onevenwichtige samenstelling. Er zijn vooral borden en schalen gemaakt. Van de grote terrines - met op het deksel een Nederlandse Leeuw - waren en zijn er niet meer dan drie stuks bekend en het aantal kleinere dekschalen, waarop een rococo-jongetje of -meisje als handvat fungeert, is nauwelijks groter.

Lang bleef het servies niet in het bezit van de Oranjes. In 1823 duikt het op in de veilingcatalogus van de William Beckford-collectie in Fonthill Abbey. Het wordt dan aan één eigenaar verkocht, maar bij een tweede veiling, vijfenveertig jaar later, raakt het verspreid.

Inmiddels heeft Het Loo 162 stuks van de oorspronkelijke 435 onderdelen in eigendom verkregen. Aangevuld met bruiklenen staan deze voorwerpen tot 14 maart in twee paleiszalen in Apeldoorn geëxposeerd. De voorstellingen - onder meer de paleizen in Apeldoorn en Soestdijk, de 'Huizen' van de VOC in Delft, Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn, Middelburg en Rotterdam, en de gouverneursresidentie in Semarang - zijn steeds omkaderd met bruine slingers en rocailles. Op de golvende rand van de borden sluiten cartouches een boeketje bloemen in. Een mooi, donkerblauw ribbelpatroon sluit de versiering af.

De auteur van de catalogus is er ingeslaagd van een flink aantal beschilderingen de oorspronkelijke prenten op te sporen. In de vitrines zijn er nogal wat serviesdelen opgesteld naast de ets of gravure die destijds als voorbeeld naar Meissen werd gestuurd. Een bord is echter geen prent en bij de 'overzetting' van prent naar porselein is er veel verloren gegaan, hoe goed de Meissen-schilders zich ook van hun taak hebben gekweten.

Bij het bord onder nummer 16 in de catalogus ligt bijvoorbeeld een tekening van Jan de Beyer: het Utrechtse Janskerhof zoals het eruit zag op 24 september 1744. De Janskerk en de naastgelegen Hoofdwacht zijn omringd door grote bomen in de nazomer. Dat stemmige architectuurbeeld bewerkte Hendrikus Spilman later tot een ets, maar hij ging daarbij verder. Hij liet op zijn versie een detachement soldaten uit de Hoofdwacht marcheren, levendige, pittige gewichtigdoeners. In Meissen werd die ets, noodzakelijk, teruggedrongen op het plat van een bord, verkleind en aangepast. Het is een saai plaatje geworden waarvan je natuurlijk nog goed koninginnesoep of canard à l'orange kunt eten.

In de Nieuwe Eetzaal van Het Loo staat - op eerbiedige afstand van het publiek - een voor twaalf personen gedekte tafel met onderdelen van het stadhouderservies. Opmerkelijk is de geringe hoeveelheid bestek. Voor iedere aanzittende is slechts één couvert neergelegd: verguld zilver, gegraveerd met het 18e-eeuwse wapen van de Oranjes, in een porseleinen heft.

Op een wandtafel in de eetzaal staat, naast zilveren kandelaars, een schitterende zogenaamde Monteith-kom, in 1719 door de Groningse zilversmid Jan Dronrijp gemaakt. De bovenrand van een dergelijke kom is geschulpt en het is de bedoeling dat de stelen van de glazen in de inkepingen rusten en de kelken in het koude water in de kom hangen. Zo'n koelvat dankt zijn naam aan een 17e-eeuwse Schot die gewoonlijk zijn hele hebben en houwen in zijn zakken meedroeg waardoor de zoom van zijn mantel in bochten uitgezakt was. In de deftige, doorluchtige ambiance van Het Loo is de aanwezigheid van die doodgewone sloddervos aangenaam tegendraads.

    • Hetty Terwee