Een gewone visite in een gewone huisartsenpraktijk

Ik heb m'n oog geslagen aan het bed, zondag, Ned. 3, 21.22-22.28u.

“Ik geloof in de Here Jezus en die wil ik niet voor de voeten lopen”, zegt de grijzaard half huilend als hem wordt gevraagd of hij tezijnertijd wil dat er euthanasie wordt toegepast. Een paar jaar geleden werd prostaatkanker bij hem vastgesteld, die nu is uitgezaaid naar vrijwel alle botten. De huisarts, Hans Hirschfeld, kijkt hem met mededogen aan. Ze spreken af de zaken in de nabije toekomst maar rustig bij de naam te noemen.

Een gewone visite in een gewone huisartsenpraktijk in Amsterdam Osdorp. Maar niet zo'n gewone documentaire. Het is journalistiek gesproken vrijwel onmogelijk om reportages te maken van artsenpraktijken, omdat het maken van zo'n documentaire zich eenvoudigweg niet met de privacy van patiënten verdraagt. Netty Rosenfeld, al sinds het begin van de jaren vijftig bij de televisie en sinds begin jaren zestig bij de VPRO, mocht met een ploeg - althans op het oog - ongestoord meelopen met de nog jonge huisarts. En omdat het zo gewoon lijkt, is de uitzending zo bijzonder.

De praktijk van Hirschfeld is tamelijk representatief voor het werk dat een huisarts in de grote stad doet. Een zeurende mevrouw op het spreekuur, die dacht: “Ik loop maar es binnen”. Hirschfeld neemt haar bloeddruk op - waarom ook niet - stelt vast dat die prima is en ontvangt de volgende patiënt. Een Surinaams meisje dat haar oog aan de rand van het bed heeft gestoten. Loop maar es bij de dokter binnen, zal haar moeder hebben gezegd. Die zit er immers voor. Er is niks aan de hand.

Hirschfeld heeft z'n moeilijke tijden gehad, zo veel is duidelijk. Als idealist begonnen, gaan de meeste huisartsen in hun vroege jaren in op alles wat de patiënt wenst. Maar kostenbewustzijn heeft daar bij Hirschfeld verandering in gebracht. Een meisje dat iets heeft verrekt tijdens het sporten, verwijst hij niet zomaar naar de fysiotherapeut. “Zo'n verwijzing kost zo vijf-, zeshonderd gulden. Dat doe ik niet zomaar even”, zegt hij tegen de licht geagiteerde moeder. Hij is in de loop van de tijd 'een beetje op zijn strepen gaan staan'. Iemand die drie keer verzuimd op een afspraak te komen, krijgt niet zomaar een nieuwe. Een ander, die een half uur te laat is, kan een nieuwe afspraak maken. Iemand die drogisterij-artikelen op een recept wil hebben, zodat de boel wordt vergoed kan dat wel vergeten. Een vrouw, die kennelijk overtijd is en daarachter allerlei kwalen veronderstelt, moet eerst maar eens een zwangerschapstest doen.

Maar het zijn niet alleen oppervlakkige symptomen van een sterk medicaliserende maatschappij, waar hij mee te maken heeft. Hirschfeld heeft geregeld momenten, waarop hij wordt geconfronteerd met de dunne scheidslijn tussen leven en dood. Een 91-jarige vrouw, in de laatste fase van dementie dreigt uit te drogen. Ze is zich niet meer bewust van de toch meest fundamentele prikkel in de menselijke geest: dat je moet eten en drinken. Haar zoon wil een infuus voor haar. Het lijkt Hirschfeld zinloos en een collega, aan wie een 'second opinion' wordt gevraagd eveneens.

In een uur tijds krijgt de kijker een rustig, caleidoscopisch beeld van waar de doorsnee huisarts in zijn dagelijks bestaan mee wordt geconfronteerd. En 'doorsnee' is Hirschfeld zeker ook wat betreft zijn scheiding van huis (of liever: boerderijtje) en praktijk. Een beetje huisarts woont tegenwoordig immers ver van zijn patiënten.

    • Bram Pols