DE WORSTELING VAN WEIMAR

Weimar 1918-1933. Die Geschichte der ersten deutschen Demokratie door Heinrich August Winkler 709 blz., Verlag C.H. Beck München 1993, ƒ 102,50 ISBN 3 406 37646 0

Germany after the First World War door Richard Bessel 325 blz. Clarendon Press Oxford, 1993, ƒ 110,10 ISBN 0 19 821938 5

Negen november is in de Duitse geschiedenis een datum, die niet alleen verbonden is met het uitroepen van de Weimar-republiek in 1918, driekwart eeuw geleden, maar ook met de val van de Berlijnse Muur en de vereniging van beide Duitslanden in 1989/90. In het onderzoek naar de kernvraag waarom het nationaal-socialisme in Duitsland aan de macht kon komen, heeft de Weimar-republiek altijd een centrale plaats ingenomen. Het negatieve voorbeeld van de instabiele Weimar-democratie was onlosmakelijk verbonden met de machtsovername van Hitler en diens nationaal-socialistische regime.

Het falen van de eerste Duitse democratie heeft grote invloed uitgeoefend op de ontwikkelingen van na 1945. De grondwet van de BRD is zonder Weimar niet denkbaar. In het naoorlogse West-Duitsland stond de vraag centraal hoe eerder gemaakte fouten vermeden konden worden. Toch is de 'Bonn ist nicht Weimar'-discussie in die zin weinig zinvol, omdat de omstandigheden voor de democratie in West-Duitsland tot 1989 veel gunstiger waren dan in de periode 1918-1933. Na 1989 wordt de democratie in het verenigde Duitsland echter weer onder vuur genomen, hoewel er geen sprake is van wantoestanden zoals die zich in Weimar afspeelden. Wel is Weimar dichterbij gekomen, omdat het huidige Duitsland net als toen democratie en nationale staat in zich verenigt.

Heinrich August Winkler, geboren in 1938, hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Humboldt-Universiteit in Berlijn, beschouwt zijn boek, 'Weimar 1918-1933. Die Geschichte der ersten deutschen Demokratie' als Trauerarbeit. Dat Winkler hierbij speciale aandacht schenkt aan de rol van de SPD ligt, gezien zijn eerdere driedelige magnum opus over de arbeidersbeweging ('Arbeiter und Arbeiterbewegung in der Weimarer Republik'), zeer voor de hand. Hij beschrijft vooral de binnenlands-politieke geschiedenis van de Weimar-republiek; andere zaken zoals de buitenlandse politiek, cultureel-mentale en ideologische aspecten komen jammer genoeg op de tweede plaats.

Winkler behandelt Weimar uit het perspectief van 1933, dus uit de onvermijdelijkheid der ontwikkelingen. Hoewel hij ook de vrijheid van handelen en de alternatieven beklemtoont, is hij toch vooral een gematigd aanhanger van de Sonderweg-these: de ongelijktijdigheid tussen de economische en culturele vooruitgang en de gebrekkige politieke modernisering vormen de belangrijkste verklaring van de ondergang van Weimar.

De erfenis van het Duitse Keizerrijk was een zware belasting voor Weimar. Het streven om Duitsland ook politiek tot een moderne staat te maken miste voldoende draagvlak, omdat de conservatieve pre-industriële elites de noodzakelijke democratisering tegenhielden en de samenwerking tussen gematigde sociaal-democraten en burgerlijke partijen blokkeerden. In de eindfase van de republiek, toen het politieke midden steeds verder versplinterde en twee anti-democratische partijen, de NSDAP en KPD, de straat veroverden, werd de prille parlementaire democratie door uiterst rechts en links getorpedeerd, terwijl de economische modernisering spaak liep door de wereldwijde crisis. Hitler heeft van deze patstelling uiteindelijk geprofiteerd.

Winklers studie heeft mede door zijn narratieve en zeer gedetailleerde aanpak een meer traditioneel karakter dan bijvoorbeeld de knappe synthese die Detlev Peukert in 1987 over de Weimar-republiek als crisis van de klassieke moderniteit heeft gepubliceerd.

ENGELSE SCHOOL

Richard Bessel, verbonden aan de Engelse Open Universiteit, heeft in zijn boek, 'Germany after the First World War', een andere interessante invalshoek gekozen door de sociaal-economische gevolgen van de Eerste Wereldoorlog op de Duitse samenleving vlak na 1918 te analyseren. Bessel behoort tot een Engelse school van historici, die niet de instabiliteit van de politieke structuur van Weimar, maar de invloed van de structurele problemen van het industriële systeem op de politiek centraal stelt. Niet de rol van de Junkers van het Keizerrijk, maar de zeer ernstige economische problemen die al voor de crisis van 1929 aanwezig waren, maakten volgens hen het overleven van de democratie onmogelijk.

De financiële en morele erfenis van de destructieve oorlog van 1914-'18 noemt Bessel als een van de belangrijkste voorwaarden voor het falen van Weimar. Mythen zoals de dolkstootlegende hielpen rechts om de schuld van de verloren oorlog bij de 'Novemberverbrecher' (socialisten, katholieken en joden) te leggen en politieke verantwoordelijkheid te ontlopen. De geweldige ontgoocheling over de plotselinge nederlaag in 1918 maakte in zijn zienswijze de overgang van een 'Kriegsgesellschaft' naar een 'Friedensgesellschaft' onmogelijk. Bovendien liet het Keizerrijk Weimar voor de oorlog betalen; behalve de herstelbetalingen vormden ook de kosten van de opvang van de zes miljoen gedemobiliseerde soldaten en van de 2,7 miljoen oorlogsinvaliden een zware hypotheek.

Ook de mythe van de 'Kriegserlebnis', die volgens Bessel het sterkst leefde onder de generatie die te jong was om aan het front te vechten, maakte aanvaarding van het nieuwe politieke systeem onmogelijk. Officieren weigerden de onplezierige realiteit van de oorlog onder ogen te zien (Ernst Jünger is hiervan het bekendste voorbeeld) en namen uit frustratie de leiding van vrijkorpsen en veteranenorganisaties als 'Stahlhelm'. Geweld, moordaanslagen en lastercampagnes waren in de naoorlogse periode normale middelen om politiek te bedrijven; angst voor moreel verval en politieke onmacht gingen hand in hand. De spanning tussen de niet waargemaakte verwachtingen van het Keizerrijk en de totaal veranderde situatie na de oorlog was een van de fundamentele problemen van Weimar.

Winkler heeft weinig oog voor deze onderliggende processen; zijn benadering richt zich op de dilemma's en de beperkte beslissingsvrijheid van politici. Hij heeft gelijk wanneer hij stelt dat de samenleving tijdens Weimar 'gespleten' was. Omdat de vier politieke hoofdstromen elkaar uitsloten, ontbrak de noodzakelijke politieke consensus. Al in de eerste woelige periode van de republiek (1918-1923) was een diepe kloof ontstaan tussen de aanhangers van de republiek en de anti-democratische krachten. De Weimar-coalitie (de sociaal-democratische SPD, de katholieke 'Zentrumpartei' en de liberale DDP) had al na de Kapp-Putsch in 1920 haar meerderheid in de Rijksdag verloren. Met name Oostelbische Junkers, ambtenaren, rechters, hoogleraren, studenten en grote delen van het 'Bildungsbürgertum' verbonden militaire nederlaag, nationale krenking en het parlementair-democratische stelsel op een negatieve wijze met elkaar. Zij hebben de republiek nooit geaccepteerd en in deze kringen circuleerde de illusie dat terugkeer naar de periode voor 1914 mogelijk was.

EBERT

Niet zuinig met kritiek op de SPD ruimt Winkler meer plaats in voor de verdedigers van de republiek dan voor de rechtse tegenstanders. Politiek-ideologische bewegingen als de 'Konservative Revolution' en zelfs het nationaal-socialisme komen er vergeleken bij de SPD (en de KPD) in zijn boek tamelijk bekaaid af. Had de SPD, de 'eigenlijke staatspartij van de Weimar-republiek', haar sterke positie na 1918 niet moeten gebruiken om de macht van de oude machtselite te breken? Winkler stelt dat de sociaal-democraat Friedrich Ebert ('Ich hasse die Revolution wie die Sünde') terecht de revolutie heeft 'getemd'. Volgens hem zou een revolutionaire verandering in een zo hoog geïndustrialiseerde samenleving als Duitsland niet haalbaar zijn geweest zonder een burgeroorlog en de onvermijdelijke chaos zou tevens het einde van de democratie hebben betekend. Wel is Winkler van mening dat er in 1918/19 te weinig gebruik is gemaakt van de kans om op beperkte schaal hervormingen door te voeren.

Een andere kloof die Weimar vanaf het begin zou belasten was die tussen marxisten en gematigde sociaal-democraten. Radicale socialisten waren teleurgesteld door de resultaten van de revolutie en keerden zich van de republiek af. De vraag of een socialistisch eenheidsfront de Weimar-republiek nog had kunnen redden, zoals de linkse mythe uit de jaren zestig en zeventig wil, beantwoordt hij dan ook ontkennend. De samenwerking van SPD met KPD was volgens hem irreëel en vormde geen alternatief voor de samenwerking tussen de sociaal-democraten en het democratische deel van de burgerij.

Wat de Weimar-republiek zo boeiend en tegelijk zo tragisch maakt is de knellende vraag of er dan geen kansen waren om te overleven. Was het niet zo dat het de republikeinse minderheid vooral ging om het veiligstellen van de democratie en is zij daarin in eerste instantie niet wonderwel geslaagd? Uit de politieke en economische crisis van 1923 (de Franse Ruhrbezetting, de hyperinflatie, rechts-extremisme in Beieren, Hitler-Putsch) kwam de republiek immers vooral dank zij rijkskanselier Gustav Stresemann als overwinnaar te voorschijn. De plannen om een autoritaire regering in te stellen waren mislukt. Na de Hitler-Ludendorff-Putsch in november 1923 werd de NSDAP verboden en verdween haar leider van het toneel. De economie herstelde zich ten gevolge van het Dawes-plan.

Stresemann (in 1929 overleden) wordt door Winkler terecht tot de belangrijkste staatsman van Weimar uitgeroepen: zijn behoedzaam en koelbloedig optreden in de herfst van 1923 zorgde ervoor dat niet generaal Hans von Seeckt de politiek bepaalde, waarmee hij voorkwam dat Duitsland toen al naar een rechtse dictatuur afgleed. De rol van rijkspresident Ebert in het crisisjaar 1923 was volgens Winkler heel wat minder heldhaftig dan anderen beweren. Hij stelt hem, wat overdreven, medeverantwoordelijk voor het feit dat het leger zich kon ontwikkelen tot een staat in de staat.

Met veel gevoel voor het gecompliceerde machtsspel op het niveau van regering en parlement beschrijft Winkler minutieus de eindfase van Weimar. De grote coalitie onder leiding van de sociaal-democraat Hermann Müller verkeerde in een permanente crisis, die in 1928 begon met het conflict rond de bouw van de pantserkruiser 'A' en in 1930 eindigde, toen de sociaal-democraten een kabinetscrisis forceerden over de hoogte van de werkloosheidsuitkeringen. De SPD heeft in dit opzicht gefaald, want de wetgevende macht verloor hierna definitief terrein aan de uitvoerende macht van de president. Met wat meer flexibiliteit van de SPD had dit kabinet langer aan de macht kunnen blijven, aldus Winkler.

MILITAIRE REFLEX

Wat de Weimar-republiek uiteindelijk de das om deed, was een overbelasting op politiek, sociaal-economisch, mentaal en nationaal gebied; het slecht functioneren van het parlementaire systeem dat legitimiteit miste, de economische crisis en de last van Versailles.

Als Winkler zich wat meer met rechts had beziggehouden, dan had hij gezien dat de oude elite op deze noodsituatie reageerde als ging het om een land in oorlog. Dezelfde militaire reflex trad in werking die zich ook al in het Keizerrijk en in de Eerste Wereldoorlog voordeed: de politiek van de burgers moest wijken voor 'das Militär'. Hindenburg, in 1925 tot rijkspresident benoemd, mat zich steeds meer semi-monarchale allures aan. De camarilla van Oostelbische Junkers rond de oude 'oorlogsheld' en ook generaal Kurt von Schleicher werkten achter de schermen aan de val van Hermann Müller.

Al in augustus 1929, nog voordat de grote economische crisis begon, werd duidelijk dat de conservatieve elites de oude orde wilden herstellen. In een vertrouwelijk gesprek polste Von Schleicher de 'Zentrum'-politicus Heinrich Brüning of hij een presidentieel minderheidskabinet wilde leiden. Artikel 48 van de grondwet bewees toen zijn destructieve invloed op de toch al weinig stabiele democratie: rijkspresident Hindenburg kon noodverordeningen uitvaardigen om de uitvoerende macht te versterken, de sociaal-democraten buiten de regering te houden en het parlement buitenspel te zetten.

De politiek van rijkskanselier Brüning is in de literatuur omstreden. Of hij naar restauratie van de monarchie heeft gestreefd, zoals Brüning zelf in zijn memoires stelt, wordt door Winkler betwijfeld. Behalve een conservatief katholiek was hij, behorend tot de oorlogsgeneratie en betrokken bij het neerslaan van de revolutie van 1918, vooral een 'revisionist', dat wil zeggen iemand die koste wat kost het 'Diktat' van Versailles ongedaan wilde maken en aan dit streven de democratie wilde opofferen.

Vast staat dat Brüning zijn economische bezuinigingspolitiek in dienst stelde van zijn buitenlands-politieke doeleinden. Winkler gaat echter te ver als hij concludeert dat Brüning al meteen in 1931 opzettelijk door zijn deflatie-politiek heeft geprobeerd de sociale ellende en het politieke radicalisme in Duitsland zo hoog op te schroeven, dat hij het door rechts gehate Young-plan kon verwijderen.

Wel verkeerde hij in een onmogelijk dilemma. Om politiek te overleven moest hij de SPD, die zijn beleid tolereerde, te vriend houden; tegelijkertijd was het noodzakelijk te snijden in de sociale voorzieningen om de financiën van de staat gezond te krijgen. Bovendien werd hij gedwongen rekening te houden met rechts (vooral de industriëlen) en ook nog de NSDAP, die in september 1930 een grote verkiezingsoverwinning had behaald, zoveel mogelijk op afstand houden. Aan deze evenwichtstoer ging hij tenslotte te gronde, daarbij beentje gelicht door Hindenburg die hem wegens de 'Osthilfe' en met het oog op de slechting van het sociaal-democratische bolwerk in Pruisen in mei 1932 de laan uitstuurde. Van Brüning maakt Winkler te veel de doodgraver van de republiek; dat geldt veel meer voor zijn opvolger, de reactionaire katholieke politicus Franz von Papen.

In het verkiezingsjaar 1932 bleek de grote aantrekkingskracht van de nazi-beweging. De nazi-propaganda ging niet zozeer over sociale nood en economische prioriteiten, maar was, zoals Bessel in zijn boek terecht stelt, een poging de politiek tot het niveau van mythe en verlossing te tillen. Een deel van de oude elite overwoog de nazi's als junior partners regeringsverantwoordelijkheid te geven. De NSDAP bezat wat de conservatieven misten: massale aanhang. Toch koos Hindenburg niet voor Hitler. Zijn steun en toeverlaat Von Papen mocht de Rijksdag naar huis sturen en een autoritaire grondwet maken. Hindenburg was bovendien zeker van de steun van het leger in de persoon van 'Reichswehrminister' Von Schleicher.

De oude president wist na de eclatante verkiezingszege van de nazi's (31 juli 1932) de benoeming van Hitler tot rijkskanselier van een presidentieel kabinet tegen te houden. De electorale nederlaag van de NSDAP in november 1932 leek zelfs een belangrijke kentering in te luiden. Waarom liep het dan toch mis? Het was niet de kracht van de conservatieve elites, zoals Winkler denkt, maar juist hun vergeelde scenario's voor de crisisbestrijding die hen in de armen van Hitler dreef.

LICHT OP 'BRUIN'

Het definitieve einde van de Weimar-republiek viel in de laatste januaridagen van 1933. Von Papen werd de discutabele hoofdrolspeler in deze tragi-komedie vol intriges. Hij begon uit wraak buiten rijkskanselier Von Schleicher om besprekingen met Hitler en wist Hindenburg uiteindelijk over te halen de Boheemse korporaal tot rijkskanselier te benoemen. De 'sociale generaal' Von Schleicher had geen meerderheid voor zijn 'Querfront'-concept (een variant op de 'Burgfriede' van 1914-18) weten te vinden. Hij zag uiteindelijk zijn 'Notstandsplan' mislukken door een veto van de rijkspresident.

Hindenburg verkoos de legalistische koers boven de militaire dictatuur die Von Schleicher tijdelijk had willen instellen om de economie te verbeteren en de totalitaire partijen te bestrijden. Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor het presidentiële kabinet van Hitler. Het was Hindenburg die, bang geworden door valse geruchten over het op handen zijnde optreden van het leger, op 30 januari 1933 het licht op 'bruin' zette. Von Papen dacht toen nog Hitler te kunnen 'temmen'.

Was er dan niet één moment waarop dit proces van afglijden naar de Hitler-dictatuur voorkomen had kunnen worden? Winkler richt een zwaar verwijt aan het adres van de sociaal-democraten: zij hadden volgens hem de defensieve 'Notstands'-plannen van Von Schleicher moeten ondersteunen. Zijn conclusie dat het loslaten van hun legalisme, het 'Verfassungsfetischismus', Hitlers 'machtsovername' zou hebben voorkomen is discutabel. Om alleen de SPD en andere democratische krachten daarvan de schuld te geven, is niet fair en heeft iets masochistisch. Het waren vooral de tegenstanders van Weimar die uit domheid, angst, eigenbelang, zelfoverschatting en berekening de democratie ondermijnden, gevangen als zij waren in hun achterhaalde illusies.

Wat Winklers boek duidelijk maakt is dat de Weimar-republiek te kort heeft geduurd om zich democratisch te kunnen ontwikkelen en dat de conservatieve elite te onmachtig was om geschikte oplossingen te vinden voor de kolossale problemen. Bessels verdienste is het te laten zien hoe moeilijk het was voor de Duitse samenleving om aan de schaduw van de Eerste Wereldoorlog te ontsnappen. Als zijn stelling klopt dat de oorlog de cruciale factor is geweest in het falen van Weimar, dan is Hitler daarvan het belangrijkste bewijs. Voor het denken en handelen van deze mislukkeling waren de oorlogservaringen doorslaggevend. Deze 'outsider' - in 1932 kreeg Hitler pas zijn Duitse staatsburgerschap - bleek in staat bij velen zowel de behoefte aan continuïteit als het verlangen naar een radicaal nieuw begin voor Duitsland te bevredigen.

Kort gezegd: Hitler is dank zij de oude elite en de massa aan de macht gekomen en hij zou ze beide gebruiken en vernietigen. Een van de weinigen die wisten waartoe de machtsovername zou leiden was Hitlers oude Putsch-genoot Erich Ludendorff. Hij voorspelde op 30 januari 1933 tegenover Hindenburg dat 'dieser unselige Mann unser Reich in den Abgrund stürzen und unsere Nation in unfassbares Elend bringen wird'.

Pagina Z1 en Z2