De Kadts bipolaire wereld: ik en de rest die ongelijk heeft

“Heeft de democratie echte intellectuelen nodig?”, vroeg H.J.A. Hofland zich onlangs in zijn column af, en hij pleitte voor een terugkeer van het type politiek denker als Jacques de Kadt. Even eerder constateerde Paul Scheffer dat onder academici het vertrouwen in het parlementaire bestel danig slinkt.

Onder Nederlandse intellectuelen is het vertrouwen in de parlementaire democratie aan het afnemen, schreef Paul Scheffer op 1 november op deze pagina. Dat gevoel van onbehagen, versterkt door het voor sommigen smartelijke verlies van grootse en meeslepende idealen, is echter onder 'de denkende bovenlaag' zo oud als de democratie zelf, riposteerde de historicus Ronald Havenaar vervolgens in een bijdrage op 9 november. Volgens hem bestaat 'de werkelijke crisis' van de democratie uit het gevaar dat problemen zoals werkloosheid, criminaliteit en migrantenstromen, onbeheersbaar worden. De volgende dag betoogde H.J.A. Hofland in een column over het hedendaags 'opportunistisch fascisme', dat het hem een grote vooruitgang toescheen dat in de discussie over democratie en intellectuelen Jacques de Kadt weer in de belangstelling staat. Hij besloot zijn uiteenzetting niet voor niets met de prangende vraag: “Heeft de democratie echte intellectuelen nodig?”

Als zo vaak geeft ook dit betoog van Hofland veel stof tot overpeinzing. Zoals over het probleem: “Wat is een echte intellectueel, en hoe is hij te onderscheiden van een onechte intellectueel?”. Dat is geen eenvoudige kwestie, en het blijft helaas onduidelijk of Hofland zelf een bevredigende oplossing heeft. Of er tegenwoordig nog 'echte' intellectuelen zijn, is immers maar de vraag. In november 1972 maakte Irving Kristol in Commentary, het blad van de gedesillusioneerde Amerikaanse radicalen van voor de oorlog, al gewag van het einde van deze mensensoort. “Het probleem is”, zo betoogde hij in een essay dat nog veel herkenbaars biedt, “dat onze samenleving meer en meer 'intellectuelen' opkweekt en steeds minder gewone mensen. Westerse landen hebben nu een grote groep mensen die van zichzelf denken dat ze intellectueel zijn, hoewel ze intellectuele kenmerken volstrekt missen (en vaak zelfs geen enkele intellectuele competentie bezitten).”

Het betrof hier, mopperde hij verder, de talloos vele miljoenen die de universiteiten bevolken, de bureaucratie draaiend houden, in de media werkzaam zijn, en in de gesubsidieerde sector van subsidies leven. Al deze moderne hooggeschoolden zijn wel degelijk intelligent, en flirten ook met een intellectuele levenstijl, maar ten principale zijn het, zo meende Kristoll, geen 'echte intellectuelen'. Het probleem is dat deze nieuwe 'pseudo-intellectuelen' volstrekt afhankelijk zijn van het systeem waarin zij de stromen van informatie en opinies verzorgen. Ze hebben wel een prettige vrijgestelde positie, maar zullen nimmer toekomen aan de vrijgevochten en ongebonden positie van de 'echte intellectueel'.

Hoewel er veel valt in te brengen tegen deze zienswijze van Kristol (die zichzelf natuurlijk wel rekende onder de 'echte intellectuelen'), biedt zij toch wel aanknopingspunten om de door Scheffer, Havenaar en Hofland opgeworpen problematiek in een bepaald perspectief te plaatsen. Havenaar heeft gelijk dat het succes van de democratie voortdurend bevochten dient te worden. De slagvaardigheid van de democratie valt of staat echter met de bereidheid in de balans van de belangennetwerken de kracht van het vrije intellectuele argument de doorslag te laten geven: de 'battle of arguments' is de motor van het parlementaire bestel maar ook van het bijbehorend geestesleven.

Dat is gemakkelijker gezegd dan in de praktijk gebracht. In zekere zin dient de democratie immers een evenwicht te vinden tussen een koesterende bescherming van de middelmaat en een rigoureuze strijd tegen de mediocriteit. Daarom wordt in het democratisch bestel zoveel waarde gehecht aan steeds hogere scholing voor steeds meer mensen, en aan het scheppen van kansen voor intellectuelen om zich te ontplooien. En toch, zo lijkt het, heeft het scholingsideaal schipbreuk geleden en staat de strijd tegen de mediocriteit op een laag pitje. Waarom dat zo is, kan de afhankelijkheidstheorie van Kristol verklaren.

De 'werkelijke crisis van de democratie', zoals Havenaar dat noemt, bestaat niet zozeer uit de huidige problemen, die goed beschouwd gering zijn in vergelijking met wat de westerse wereld eerder meemaakte, maar uit het onvermogen het tijdens de vette jaren gestolde belangenevenwicht met de daarmee gepaard gaande bestuurlijke en intellectuele verlammingsverschijnselen te doorbreken. Dat geldt zeker ook voor ons land. Nederland kan maar moeizaam ontwaken uit de decennia van overmoed en zelfbehagen. De makkelijkste weg blijft al te vaak de aangewezen weg: waarom een beslissing nemen als er ook een commissie kan worden benoemd, waarom een boek schrijven als je ook je columns kunt bundelen, waarom argumenteren als ironie ook leuk is, waarom eisen stellen als je ook fijn samen kunt praten, waarom nieuwe wegen zoeken als je ook subsidie kunt krijgen?

In zekere zin heeft Kristol gelijk toen hij mopperde dat iemand met staatssubsidie geen 'echte intellectueel' kan zijn: hij heeft iets te verdedigen en niets te veroveren. Daarom zou het wellicht ook te begrijpen zijn waarom onder universitaire academici het vertrouwen in het democratisch bestel afneemt, zoals Scheffer signaleert (maar waarop hij zich baseert, blijft onduidelijk). Hier is de afhankelijkheidsrelatie aan het afbrokkelen. Jarenlang heeft men de universitaire machine aan de gang weten te houden met kunstgrepen en concessies aan het niveau. Maar de prijs was hoog en het onbehagen staat nu aan de lippen: het systeem biedt geen koesterende bescherming meer, en uitzicht op een oplossing is er niet. Afgezien van de vraag of Scheffer gelijk heeft met zijn constatering, is de kwestie aan de orde of al die gedemoraliseerde academici, die noodgedwongen hun beoordelingscriteria bijstellen in het licht van de 'uitstroomcapaciteit', blunders in het Nederlands door studenten niet mogen meewegen in hun cijfers, en dagenlang readers bijelkaar staan te kopiëren omdat boeken bijna taboe zijn bij veel opleidingen, zichzelf nog willen rekenen tot de freischwebende Intelligenz.

Helaas zijn moderne universiteiten minder in staat dan politieke partijen hun koers scherp bij te stellen en in één keer de helft van het personeel en studenten te vervangen. Zij zijn al even verstrikt in een belangenevenwicht als de overlegdemocratie zelf. Dat is op zichzelf niet eens zo slecht. Een democratie is van nature immers een beetje sukkelende hinkepoot, maar heeft dan ook minder kans zich te pletter te lopen zoals andere ideologieën van deze eeuw met zo'n overtuigingskracht hebben gedaan.

Daarom is het ook maar de vraag of het, in tegenstelling tot wat Hofland suggereert, toe te juichen zou zijn als mensen van het type Jacques de Kadt zouden terugkeren. Hij was, zo maakt lezing van Havenaars mooie boek over hem, De tocht naar het onbekende (1990), onbedoeld duidelijk, immers helemaal geen 'echte intellectueel'. Twijfel, zelfrelativering, en het primaat van het argument waren bij hem meestal ver te zoeken. Zijn gehele leven was hij vooral een romantische betweter. Hij vond zichzelf wel zeer rationalistisch, maar in werkelijkheid was hij een speelbal van zijn drang tot pathetische daden en zijn fascinatie voor macht, actie, elites, en vooral zijn eigen positie au-dessus de la mêlée. Zijn politieke wereld bestond, of hij nu een bewonderaar van Stalin was, of 'vijftig divisies' op de Russen wilde afsturen, of Nixon voorhield dat het prestige van Amerika meer waard was dan honderdduizend Vietnamese doden, uit twee kampen: hijzelf, en alle anderen die ongelijk hadden.

Vandaar ook zijn geflirt met het denkbeeld van een maatschappij geleid door een krachtdadige, realistische en cultuurscheppende 'geestesadel' die het heft in handen moest nemen. Kenmerkend voor zijn zelfbeeld was de rotsvaste overtuiging dat hij als autodidact uitermate professorabel was. Toen de Universiteit van Amsterdam hem passeerde, was dat de grootste teleurstelling in zijn leven.

De ironie is dat hij vandaag de dag een veel grotere kans had gehad een van de vele ere-doctoraten of bijzonder-hoogleraarsposten te krijgen. Want water bij de wijn is tegenwoordig een veelbeproefd recept. Het democratisch imperatief van de intellectuele strijd tegen de mediocriteit wordt maar al te graag voor een beetje publiciteit verraden: daar is niets tegen te doen, want de klerken, dat zijn wij.

    • Bastiaan Bommeljé