'De hele bijbel is in mij'

Alle secularisatie ten spijt, zoeken steeds meer mensen hun heil in spiritualiteit. Ook zij die uit een a-religieus gezin komen, zoals R. Schoufour. Als kind had hij al een Godsbesef, waarbij God en Sinterklaas dicht bij elkaar stonden. Tweede deel van een serie over spirituele beleving in Nederland.

Het was, zoals hij het zelf omschrijft, 'een nachtelijk moment'' in november 1944. Drs. R. Schoufour was 22 jaar oud. 'Het leek alsof er een deur open ging. Plotseling zag ik het licht. Ik wist: Er is een God en ik aanvaard dat de bijbel de waarheid is.'' Een traditionele bekering wil hij het niet noemen want in het bestaan van een God geloofde hij altijd al, hoewel hij er zich geen enkele voorstelling van kon maken. 'Dat ene moment heb ik als een bevrijding ervaren'', zegt hij niettemin.

Vanaf die dag las hij iedere dag een hoofdstuk in de Statenbijbel. Negen jaar later kreeg hij bij zijn huwelijk een 'trouwbijbel', waarin hij nog altijd samen met zijn vrouw dagelijks een stukje leest. Het Oude Testament kost hem op die manier gemiddeld vijf jaar en het Nieuwe Testament twee. 'Na veertig jaar huwelijk heb ik dus het Oude Testament acht keer en het Nieuwe Testament twintig keer gelezen. Niet dat ik nu weet waar alle passages precies zijn terug te vinden maar het belangrijkste is dat de hele bijbel in mij aanwezig is.''

S choufour (71) - gepensioneerd klinisch pedagoog en voormalig rector van een scholengemeenschap - woont in een verbouwde boerderij in het Noordhollandse Driehuizen, met een weids uitzicht in alle richtingen. Op tafel ligt de VPRO-gids. Hij is voorzitter van de Remonstrantse kerkeraad in Alkmaar. Bij iedere dienst komen daar zo'n 25 mensen, van wie 85 procent zestig-plusser is. 'Over twintig jaar zijn we letterlijk dood'', zegt Schoufour met een vrolijk gezicht. 'Dat is het probleem van de intellectuele vrijzinnigheid. Het kan zijn dat deze gedachtengang op termijn geen zin meer heeft. Nou, dan verdwijnt-ie maar, ik zit daar niet mee.'' Toch spreekt het remonstrantisme hem aan 'omdat het als enige dogma heeft dat er geen dogma's zijn.''

Zijn vier kinderen zijn 'allemaal op hun eigen wijze'' religieus. 'Eén dochter is ook remonstrants, één dochter is niet-kerkelijk religieus en mijn zoon is nog zoekende.'' Een andere dochter is aangesloten bij 'een hele ingewikkelde sekte waar ze het gevoel hebben dat je het stoffelijke om moet zetten in licht''. Maar daar wil hij liever niet over praten.

Schoufour komt zelf uit een a-religieus gezin. Zijn vader was weliswaar aangesloten bij de Lutherse kerk 'maar alleen omdat de kinderen dan later eventueel altijd nog terecht konden in een Luthers weeshuis''. Toch had Schoufour als kind al 'een persoonlijk Godsbesef, waarbij God en Sinterklaas erg dicht bij elkaar stonden''.

In zijn puberteit begon hij te twijfelen. 'Ik wilde wel religieus zijn maar het was meer een wens dan dat ik er werkelijk in geloofde. Het probleem was de dood. Wat gebeurt er na dit leven? Het lichaam vergaat. Hoe kan er dan een opstanding zijn? Ik kwam er niet uit, bleef zoeken.''

N a een aantal gesprekken met een Lutherse dominee, 'een wijze en open man'', besloot Schoufour zich te laten aannemen in de Lutherse kerk waar hij zich op eerste Kerstdag 1944 liet dopen. Tegelijkertijd met zijn keuze voor een actief religieus bestaan, besloot hij het bedrijf van zijn vader - een Rotterdamse havenbaron - te verlaten en te gaan studeren: eerst sociografie, na zijn afstuderen gevolgd door filosofie. Wijsbegeerte is volgens Schoufour niet per definitie anti-religieus. 'Ik meen dat alles wordt bepaald vanuit de natuurwetten, maar waar komen die op hun beurt vandaan? Er moet méér zijn, daarvoor is de totaliteit van de schepping te gecompliceerd en te wonderbaarlijk.''

Schoufour interpreteert religie in de meest letterlijke betekenis van 'verbonden zijn met'. 'Ik heb een relatie met God'', stelt hij. Toen hij een verhouding kreeg met een doopsgezinde theologie-studente, besloot hij zelf ook doopsgezind te worden. Later trad hij in het huwelijk met een remonstrantse vrouw waarop hij zijn doopsgezinde geloofsbeleving inruilde voor een remonstrantse. 'Iedere religie is voor mij in principe hetzelfde'', zegt hij. 'Dat geldt ook voor niet-christelijke religies. Het zou toch wel een rare God zijn als hij slechts naar een klein stukje van deze wereld een Messias stuurt. Japanners hoeven toch niet naar de hel omdat daar nooit een Verlosser is geweest?''

Schoufour zegt geen persoonlijke band met God te hebben. 'Ik ben uit God en ik leef uit God. Omdat God alles is, heb ik er geen aanraking mee. Ik aanvaard dat.'' Omdat God , 'zo ongrijpbaar' is, valt het Schoufour zwaar God als persoon aan te spreken. Een veel centralere rol in zijn geloofsbeleving speelt voor hem dan ook de Christus-figuur: Jezus van Nazareth als een historische profeet en Christus 'als metafoor voor het wenzenlijk goede in de mens''. Ook Hitler of Stalin deden Schoufour nooit daaraan twijfelen. 'Sommigen vragen zich af: als God zo volmaakt is, waarom zorgt Hij dan voor zo veel onvolmaaktheid? Maar zo is het niet. Er bestaat een totaliteit van kracht, waar alles toe behoort. Het goede kan zodanig ingekapseld raken dat het totaal niet meer functioneert.''

H ij kan zich niet verenigen met gelovigen die in Jezus zelf een soort Godheid zien. 'In katholieke kerken zie je de Opstanding van Jezus zodanig verbeeld dat hij als het ware klapwiekend door de wolken vliegt, omringd door engeltjes.'' Ook ziet hij Christus niet als iemand die de zonden van de mensheid op zich kan nemen. 'Vergeving van zonden bestaat niet. Het is natuurlijk wel een verklaarbare behoefte van de mens om bijvoorbeeld de zin van de dood van een dierbare te duiden door een deel van de schuld op zich te nemen. Maar dat is onmogelijk. Schuldgevoelens ontstaan altijd vanuit het eigen ego en je raakt ze pas kwijt door naar de ander toe te gaan.''

Die wat zwerige term 'naar de ander toe' lijkt het brandpunt te vormen van Schoufours godsdienstige belevingswereld. In die zin spreekt hij ook over de diepste religieuze ervaring in zijn leven. Schoufour bevond zich met een zwaar hartinfarct in een ziekenhuis. 'Ik lag daar, vol valium, en ik zag mijzelf leven, ik volgde mijn eigen hartslag op de monitor. Ik wist dat ik minder dan vijftig procent kans had om te overleven.''

Angst voor de dood had hij niet. Hij gelooft niet als sommige protestanten dat God zal oordelen wie naar de hemel gaat en wie niet. 'God oordeelt niet, want Hij heeft álles geschapen. Oordelen is juist typisch menselijk.'' Of er leven is na de dood, daarover heeft hij geen mening. Hij zegt dat onderwerp ook 'volkomen onbelangrijk' te vinden. 'Nieuwsgierig ben ik natuurlijk wel. Maar essentieel voor mij - op dat moment in mijn ziekenhuisbed - was de vraag: Heeft mijn leven zin gehad?''

D ie vraag spookte landurig door zijn hoofd. 'Ik had tijd om na te denken.'' Hij kwam tot de conclusie dat hij zijn ambities nooit helemaal had waargemaakt. 'Maar ik zocht naar een manier van denken om verder te komen. Ik dacht: Mijn leven heeft alleen zin gehad als ik voor anderen zin heb gehad, maar hoe weet ik of dat zo is?'' Hij besloot na te gaan of er anderen in zijn leven waren geweest die voor hèm iets hadden betekend, zonder dat ze zich daarvan bewust waren geweest. 'Dat was het geval. Dus wist ik zeker dat ook mijn leven zin had gehad. Misschien is dat wel de meest bevrijdende gedachte van mijn leven geweest.''

Schoufour zegt ervan uit te gaan 'dat alles is opgelost' op het moment dat de mens de volledige bereidheid heeft vanuit zichzelf naar de ander te gaan. 'Maar dat gebeurt niet. Waarom niet? Omdat alles wat de mens doet voortkomt uit lustbevrediging. Zo hebben we een drift om voedsel tot ons te nemen. En als het niet lekker zou zijn om met elkaar naar bed te gaan, zouden we ons niet voortplanten.

'Het probleem is dat het lustgevoel van het sociaal samen zijn - een mens is tenslotte een groepswezen - zo moeilijk herkenbaar is. Maar in feite vormt harmonie de beloning van religie, van maximale gebondenheid aan de ander. Het vreselijke is alleen dat zij die harmonie preken, worden gekruisigd. Maar het zijn gelukkig niet de slechtsten die aan het kruis hangen.''

    • Alfred van Cleef