Asielzoeker komt uit stad, is goed opgeleid en zeer gemotiveerd; 'Het is wreed dat wij niet mogen werken'

ROTTERDAM, 13 NOV. Iraanse asielzoekers zijn wat gesloten en afstandelijk; met die gezellige Westafrikanen kun je heel wat aflachen; Somaliërs gedragen zich trots en een tikkeltje wild. Oosteuropeanen moet wat duidelijker op de huisregels gewezen worden dan anderen. Irakezen willen niet aangeraakt worden, en Chinezen zeker niet. En de Srilankanen (Tamils en degenen die voor hen op de vlucht zijn) zijn de lievelingen van de opvangcentra: vriendelijk, rustig, behulpzaam, en zelfs de mannen generen zich niet om de kamers schoon te maken. Dat laatste is bij de Polen en Roemenen, om eens een voorbeeld te noemen, wel anders.

Zo hebben hulpverleners in centra voor asielzoekers hun ongeveer gelijkluidende denkbeelden over de verschillende nationaliteiten die er te vinden zijn. Niet dat er veel rekening mee wordt gehouden. De mensen moeten zich aanpassen is het uitgangspunt. “En bovendien”, zegt een hulpverlener, “dan denk je net, zie je wel, die lui reageren altijd zo, en dan komt er vervolgens een gezin dat het helemaal anders doet.”

Andere achtergronden dan nationaal-culturele verschillen zijn waarschijnlijk belangrijker bij de vraag welke asielzoekers zich het gemakkelijkst zullen voegen naar de Nederlandse omstandigheden. Of iemand afkomstig is uit een stad of van het platteland maakt veel uit, en - wat bijna hetzelfde is - het opleidingsniveau en de werkervaring. De bevindingen van een vorig jaar gehouden onderzoek naar deze kenmerken van een aantal nationaliteiten komen overeen met de indruk die men in de centra heeft: asielzoekers komen vrijwel altijd uit de stad en zijn meestal goed opgeleid.

Die achtergrond valt des te meer op als ze vergeleken wordt met de algemene situatie in het land van herkomst. Van de Somalische asielzoekers komt 83 procent uit de stad, terwijl de urbanisatiegraad in Somalië 36 procent is. Voor Iraniërs is dat 99 en 54 procent. Een Iraanse asielzoeker die niet kon lezen en schrijven heeft het Centrum Migratie Onderzoek niet kunnen vinden, terwijl toch 46 procent van de bevolking van Iran analfabeet is. Bij de Somaliërs is die verhouding negen tegenover 76 procent. Bij andere groepen is het ongeveer hetzelfde. Alleen het opleidingsniveau van ex-Joegoslavische asielzoekers is niet gunstiger dan dat van hun achtergebleven landgenoten: zij zijn vaak op uitnodiging gekomen, waarbij de meest schrijnende gevallen voorrang hadden.

Ervaring met onderwijs is van groot belang bij het leren van Nederlands. Zo spreken de vaak analfabete Somalische vrouwen na maanden nog geen woord van deze taal, en wordt de ijver en vaardigheid van vooral Iraniërs, Irakezen en Somalische mannen in de centra hoog geprezen. Volgens sommigen gaat het bij de ex-Joegoslaven wat minder snel, maar dat ligt dan aan het feit dat ze met zovelen zijn en daarom eerder met elkaar dan met Nederlanders contact hebben. Een garantie voor een soepele integratie biedt een hoog opleidingsniveau overigens niet: juist de zeer hoog gekwalificeerden lijden het ergst onder statusverlies, de gedwongen afhankelijkheid en snelle veroudering van beroepsvaardigheden. Scholing speelt ook een rol bij een veel voorkomend probleem onder asielzoekers: de onvolledige gezinnen. Alleenstaande moeders met kinderen krijgen problemen met de opvoeding. ,Het speelt bij alle nationaliteiten, zegt Thea Meesters, directrice van het asielzoekerscentrum in Leeuwarden, “en je ziet dan dat het belangrijk is dat een vrouw stevig in het leven staat, naar school is geweest, gewend is om naar buiten te treden. Daarom zijn de Iraanse en Irakese vrouwen beter tegen dit soort problemen bestand dan Somalische. Somalische vrouwen zijn niet alleen vaak slecht geschoold, ze worden ook nog eens geacht thuis te blijven en zich niet met de buitenwereld te bemoeien.” Maar Somaliërs vormen een hechte groep, en dat maakt veel goed. Oude mensen hebben er overwicht.

Er is eveneens een verband tussen scholing en de traumatische ervaringen die de asielzoekers hebben opgedaan, en de verwerking daarvan. Hoe hoger opgeleid, hoe eerder politieke actief en aan vervolging blootgesteld. Dat geldt bijvoorbeeld voor de meeste Iraniërs en Irakezen. Zij pleegden verzet, ze waren actief, en als ze zich nu westerse waarden en vaardigheden verder eigen maken is dat voor hen bijna dezelfde strijd. Anderen hebben geweld en vernederingen alleen ondergaan, het is hun toevallig overkomen, en dat maakt ze soms minder weerbaar.

Er wordt in de centra weinig gepraat over dat soort ervaringen. De Iraniërs en Irakezen zijn nogal gesloten - ook binnen families - maar ook extraverte Afrikanen lopen er niet altijd mee te koop. De ervaringen, mits breed uitgemeten in de media, wekken ook deernis op, en in dat opzicht ontstaan er grote verschillen tussen de verschillende nationaliteiten. De ex-Joegoslaven kunnen op het meeste medeleven rekenen. Directeur Freek Nijhuis van onderzoekscentrum Zeewolde, ziet nog voor zich hoe vorig jaar de camera's achter de tachtig zojuist gearriveerde Bosnische vluchtelingen in zijn centrum aanliepen. “De zevenhonderd andere asielzoekers hier werden geen blik waardig gekeurd. Ze stonden er wat beteuterd bij. Sommigen waren er echt stuk van, en begonnen nog eens aan medewerkers uit te leggen wat hun situatie was.” Het is betrekkelijk gemakkelijk om voor de hulp aan de ex-Joegoslaven vrijwilligers te vinden. Maar als die horen dat Bosniërs veelal moslim zijn haken sommigen weer snel af. En als het om Afrikanen gaat, om zwarten dus, loopt het enthousiasme nog verder terug. Om over zwarte moslims nog maar te zwijgen. Men vreest het fanatisme van de moslims. Sommige islamitische asielzoekers ook en zijn daarom hun land ontvlucht. Tegelijk doet men in Nederland soms zo zijn best andere culturen te respecteren dat er bijvoorbeeld in de centra wel islamitische gebedsruimten zijn te vinden maar geen christelijke.

In de centra wordt weinig geklaagd over racisme, zegt Meesters in Leeuwarden. Ze merken het niet. Ze wachten daar op woonruimte, en dat kan heel lang duren: een ander probleem waar verschillend op gereageerd wordt, afhankelijk van opleiding, werkervaring, leeftijd, gezinssamenstelling en soms ook nationaliteit. Alleen zijn de effecten nog ondoorzichtiger dan bij andere kwesties. De tijden van de amok makende Tamils zijn voorbij: toen mochten de asielzoekers niet eens Nederlands leren. Nu kunnen ze les krijgen als er voldoende leerkrachten zijn, wat niet altijd het geval is. Andere opleidingen zijn er niet. Er is geen geld voor of het mag nog niet. Bij gebrek aan andere mogelijkheden worden bijvoorbeeld 'creatieve' bezigheden geboden, die volgens het Centrum Migratie Onderzoek door 55 procent van de asielzoekers als tamelijk onzinnig wordt bestempeld. “Ik kom hier niet voor leuke dingetjes”, merkt een van hen op.

Na zo'n zeven, acht maanden van gedwongen nietsdoen in de centra, zo schat Meesters, slaat de apathie toe. Ze willen werken. “Werkend voel je je pas een mens”, “Het afhankelijk zijn van een uitkering is onwaardig”, “Het is vreemd en wreed dat wij niet mogen werken”, “Als je werkt ben je onderdeel van de maatschappij”. Dit soort uitspraken konden de onderzoekers veelvuldig noteren. Asielzoekers zijn zeer gemotiveerde immigranten - dat is een verantwoorde generalisatie volgens iedereen die iets met ze van doen heeft. En daarin onderscheiden ze zich gunstig van de veel grotere aantallen immigranten die via de gezinshereniging jaarlijks Nederland binnenkomen.

Maar zelfs als het allemaal volmaakt geregeld wordt blijven er problemen. “Ik denk”, zegt Meesters, “dat er nauwelijks gelukkige vluchtelingen zijn. Ze hebben bijna allemaal heimwee. Eigenlijk willen ze terug. Kijk maar naar wat er met de Chilenen is gebeurd, die zijn voor een heel groot deel weer teruggegaan toen het daar beter werd. Ik heb begrepen dat het in de geschiedenis altijd zo is gegaan, en ik weet zeker, dat het nu ook weer gebeurt.”

    • Martijn de Rijk